Piekerstoornis

Patiënteninformatie voor volwassenen

door VGCt
4 minuten leestijd

🖨️ Download de QR-code naar de brochure om zelf te printen en mee te geven aan cliënten.

Wat is een piekerstoornis?

Als je een piekerstoornis hebt, worstel je met gedachten die vaak beginnen met ‘wat als…’ of ‘stel dat…’. Deze gedachten kun je niet stoppen en eindigen in een rampscenario. Je kunt je dus geen goede afloop voorstellen. Het overmatige gepieker is ten minste een half jaar aanwezig, maar vaak al veel langer. Het gepieker gaat over nare zaken die zich in de (nabije) toekomst kunnen voordoen en roept gevoelens van angst of nervositeit op.

Vaak gaat het gepieker over alledaagse dingen als ziek worden, deadlines missen of te laat komen, maar het kan ook gaan over of anderen je wel aardig vinden, het nieuws en andere zaken. Omdat het piekeren vaak over meerdere dingen gaat, zeggen we dat de angst ‘gegeneraliseerd’ is. Daarom wordt een piekerstoornis ook wel een gegeneraliseerde angststoornis genoemd.

Wat voel je?

  • Je bent angstig voor verschillende dingen;
  • Piekert over verschillende dingen;
  • Hebt veel bevestiging nodig;
  • Slaapt slecht;
  • Bent rusteloos, opgejaagd en gespannen;
  • Bent prikkelbaar;
  • Hebt last van concentratieproblemen;
  • Bent snel vermoeid;
  • Hebt last van spierspanning.

Hoe ontstaat een piekerstoornis?

Omdat de gevreesde ‘rampen’ niet uitkomen, kan het idee ontstaan dat piekeren helpend is, bijvoorbeeld om nare gebeurtenissen te voorkómen. Op een gegeven moment kan het piekeren zo sterk worden dat dit omslaat. Je krijgt er last van en wilt het stoppen, bijvoorbeeld door afleiding te zoeken, maar het onderdrukken van gedachten lukt vaak maar heel kort. Zodra de afleiding stopt, begint het piekeren weer. Daardoor voelt het piekeren als onbeheersbaar en soms ook als gevaarlijk. Er is dan sprake van een piekerstoornis.

Wanneer heb je hulp nodig?

Pieker je vaak over van alles? En heb je moeite het gepieker te beheersen? Dan heb je mogelijk een piekerstoornis. Je hebt hulp nodig als het piekeren je normale, dagelijkse bezigheden belemmert.

Twijfel je of je hulp nodig hebt? Bespreek het met je huisarts.

Wat is metacognitieve gedragstherapie?

Metacognitieve therapie (MCT) is een vorm van cognitieve gedragstherapie en richt zich niet op de inhoud van je piekergedachten, maar op de manier waarop je met deze gedachten omgaat. De therapie bestaat uit de volgende fases:

Fase 1: Je opvattingen over het piekeren worden in kaart gebracht. Je kijkt dan naar je negatieve gedachten over piekeren, zoals ‘ik kan het piekeren niet stoppen’. Je kijkt ook naar je positieve gedachten over piekeren, zoals ‘piekeren helpt mij om negatieve gebeurtenissen te voorkomen’.

Fase 2: Eerst worden de negatieve opvattingen over piekeren onderzocht en waar nodig veranderd, vervolgens gebeurt hetzelfde met de positieve opvattingen. Kloppen je gedachten wel? Helpen ze je? Of ga je er juist meer door piekeren? Met
de therapeut onderzoek je welke opvattingen niet kloppen of niet helpen.

Fase 3: Tot slot ga je kijken of je nog steeds dingen uit de weg gaat omdat je bang bent dat je gaat piekeren, zoals het niet bekijken van bepaalde televisieprogramma’s. Het kan ook zijn dat je nog steeds veel om geruststelling vraagt. Met de therapeut ga je oefeningen doen met situaties die je spannend vindt. Dit heet exposure. Stel dat je bang bent om je kind alleen te laten omdat je dan heel erg gaat piekeren.

Normaal zou je deze situatie vermijden, maar nu ga je oefenen om dit wel te doen en na te gaan of je dan nog steeds gaat piekeren. Ook leer je in deze fase andere strategieën om met problemen om te gaan dan erover te piekeren, bijvoorbeeld door je meer op oplossingen te leren richten.

Het is spannend om je gedachten uit te dagen en om dingen niet langer uit de weg te gaan, maar je zult merken dat je gepieker na een aantal sessies langzaam afneemt.

Soms kan medicatie helpen bij de behandeling, maar meestal is dit niet nodig.

Over de behandeling

Een behandeling bestaat meestal uit 10 tot 15 sessies. Hoeveel sessies er precies nodig zijn, hangt af van de ernst van je klachten. Het kan zijn dat sommige klachten niet helemaal verdwijnen. De behandeling kan je dan wel helpen om er minder last van te hebben.

Over de therapeut

Meestal krijg je cognitieve gedragstherapie van een therapeut die psycholoog is. Dat is iemand die een studie psychologie aan de universiteit heeft afgerond. Het is belangrijk dat je vertrouwen hebt in je therapeut en dat je samen tot goede afspraken komt over de behandeling.


Vind je dingen niet prettig gaan in de behandeling? Dan mag je dat altijd zeggen. Of vraag om een andere therapeut als je er samen niet uitkomt.

Hoe vind je een geschikte therapeut?

Wil je er zeker van zijn dat de behandeling goed wordt gegeven? Ga dan naar een behandelaar die ingeschreven staat bij de VGCt. Dan krijg je een therapeut die goed opgeleid en nageschoold is. Vraag je huisarts ernaar of zoek in het VGCt-register op de VGCt-website.

Misschien ook interessant voor jou

Focus Mode