Stille kinderen in de klas

Tips & tricks voor ondersteuning van stille kinderen in het basisonderwijs

door VGCt
29 minuten leestijd

Download de pdf voor de invulbare versie.

Sommige kinderen zijn zó stil op school dat het opvalt. Ze praten niet of heel weinig. Wat als het kind na een tijdje nog steeds niet praat op school? Moet je het stimuleren tot spreken of kun je beter afwachten? Er kan sprake zijn van selectief mutisme.

Het boekje ‘Stille kinderen in de klas’ geeft antwoord op dit soort vragen. Er worden handvatten en tips gegeven voor leerkrachten in het basisonderwijs om stille kinderen te stimuleren tot spreken. Ook is er advies over het inzetten van professionele hulp. Het is een initiatief van onderzoekers en studenten van de Universiteit Leiden (onder leiding van prof. Maretha de Jonge) en de Ambulant Educatieve Dienst Leiden. Ook voor zorgprofessionals kan dit boekje erg waardevol zijn. Als psycho-educatie voor ouders en kinderen, bijvoorbeeld.

Doe er je voordeel mee!

De VGCt biedt het boekje hierboven digitaal gratis aan. Je kunt het hieronder lezen, als gewone tekst.

Over dit boekje…

Als een kind of jongere in familiaire kring gewoon praat, maar niet of nauwelijks spreekt wanneer anderen in de buurt zijn, kan er sprake zijn van selectief mutisme. Dit valt vooral op wanneer kinderen niet spreken met leerkrachten en/of leeftijdsgenoten.

In dit boekje geven we handvatten om erg stille kinderen te stimuleren tot spreken. We lichten toe wat selectief mutisme is en wanneer het verstandig is om professionele hulp in te zetten.

Inhoudsopgave

Stille kinderen in de klas

Het ene kind is actief en praat graag. Het andere kind is afwachtend en treedt niet graag op de voorgrond. Het ene kind heeft een extravert karakter en het andere is meer introvert.

We vragen in het basisonderwijs best veel extraverte vaardigheden van jonge kinderen: hulp vragen, grenzen aangeven, samenwerken, vertellen, keuzes maken, etc. Introverte kinderen kijken liever de kat uit de boom en laten zich niet zo horen. Hun vaardigheden, zoals luisteren, meebewegen met anderen, wachten op hun beurt, zijn minstens evenveel waard.

Sommige kinderen zijn echter zo stil op school dat het opvalt. Ze spreken niet of heel weinig. Je merkt ze nauwelijks op of ze vallen juíst op vanwege zeer geremd gedrag. In de eerste maand op school is dat nog niet ongewoon. Kinderen die de Nederlandse taal nog niet machtig zijn, kunnen vaak wel zes maanden nodig hebben om zich te durven uiten. Wat nou als het geremde gedrag niet afneemt?

Met een opvallend stille leerling in de klas heb je vast al het een en ander geprobeerd, maar waar doe je nu goed aan? Extra stimuleren of juist ruimte bieden en afwachten? Heeft de leerling een zetje nodig om te gaan praten of kan je dat beter niet doen? Heeft de leerling professionele hulp nodig? En wat kan je intussen doen, zolang de hulp nog niet is gerealiseerd?

Dit boekje is geschreven om antwoord te geven op deze vragen. Het is een initiatief van onderzoekers en studenten van de Universiteit Leiden samen met de Ambulant Educatieve Dienst Leiden. Tussen 2022 en 2024 werkten zij samen aan een project gericht op kinderen die opvallend stil bleven in groep 1 en mogelijk selectief mutisme ontwikkelen. In dit boekje, mede ontwikkeld door de VGCt, lichten we toe wat selectief mutisme is en wanneer het verstandig is om daar professionele hulp voor in te zetten. Soms duurt het lang voordat die hulp gerealiseerd wordt. Intussen vraag jij je als leerkracht waarschijnlijk af of je al wat kan doen. Dat kan!

Je vindt hier achtergrondinformatie en uitleg over een eenvoudig observatie-, en STAPpenplan waarmee je kan proberen de leerling op zijn/haar gemak te stellen en communicatie kan stimuleren. Misschien helpt het en maakt de leerling goede stappen. Misschien helpt het niet voldoende en is er extra hulp nodig. Dan heb jij als leerkracht waardevolle informatie verzameld waar een zorgprofessional op kan bouwen.

Stille kinderen kunnen je onmachtig maken. Als een leerling niet met je communiceert, kan dat voelen als een afwijzing. Nog lastiger is het als de leerling wél met een collega praat en niet met jou. Dat een leerling niet met je praat zegt echter niets over hoe aardig je gevonden wordt en ook niet over je capaciteiten. De informatie in dit boekje is bedoeld om het gevoel van onmacht te verminderen en je handvatten te geven voor in de klas.

Dat een leerling niet met je praat zegt niets over hoe aardig je gevonden wordt en ook niet over je capaciteiten

Gewone verlegenheid of selectief mutisme?

Verlegenheid is een normale vorm van (mild) ongemak bij mensen die je niet zo goed kent, of in situaties waarin je in de aandacht komt te staan. Verlegenheid is soms lastig, maar het is geen ontwikkelingsprobleem. Verlegenheid kan echter ook zo erg worden dat iemand er wel problemen mee krijgt. Dan spreken we vaak van sociale angst of zelfs van een sociale angststoornis als het je functioneren verstoort.

Selectief mutisme is een bijzondere vorm van sociale angst. Mutisme betekent ‘niet kunnen praten’. De term ‘selectief’ wil in deze context zeggen dat dit in sommige situaties wél voorkomt, maar in andere niet. Selectief mutisme betekent dus dat iemand in sommige situaties niet in staat is te praten, maar in andere situaties wel.

Selectief mutisme is een angststoornis die vaker voorkomt bij kinderen dan bij volwassenen. Kinderen met selectief mutisme hebben een vorm van sociale angst die hen belet te praten in bepaalde situaties. Leerlingen met selectief mutisme kúnnen dus
wel heel goed praten. Thuis doen ze dat vrijuit, maar in andere situaties blokkeren ze waardoor ze niet of nauwelijks een woord kunnen uitbrengen. Dat gebeurt vaak op school, maar ook bij familie, in winkels of bij vrienden thuis.

Layla fluistert op school alleen tegen een paar kinderen. Met de juf praat ze nooit. Ze knikt of schudt haar hoofd. Volgens Layla’s ouders is zij thuis zoals ieder ander kind. Layla doet goed mee op school, maar aan haar gezicht zie je niet hoe ze zich voelt. Vindt ze het wel leuk? En hoe weet de leerkracht wat haar niveau is, want bij toetsen antwoordt ze niet.

We spreken van selectief mutisme als:

  • Iemand consequent niet spreekt in sociale situaties, waarin dat
    belangrijk is.
  • Dit zwijgen langer duurt dan een maand (en niet alleen de
    eerste maand in een nieuwe klas).
  • Iemand wel goed kán spreken en dat in andere situaties (vaak
    thuis) vrijuit doet.
  • Iemand de taal die verwacht wordt goed genoeg beheerst.
  • Iemand niet gehinderd wordt door een taalstoornis
    of ernstig stotteren, een psychotische stoornis of een
    autismespectrumstoornis.

Met betrekking tot het laatste: inmiddels weten we dat selectief mutisme en autisme soms samen gaan. We spreken van selectief mutisme in combinatie met autisme als iemand met autisme in sommige situaties (bijvoorbeeld thuis) veel en vrij kan praten, maar in andere situaties niet. Sommige mensen met autisme spreken helemaal niet (veel), ook thuis niet, en dan is er geen sprake van selectief mutisme.

Feiten

  • Circa 7 op de 1000 kinderen hebben selectief mutisme.
  • Het komt vaker voor bij meertalige kinderen.
  • Het treft meer meisjes dan jongens.
  • Met drie tot vijf jaar worden de eerste signalen vaak zichtbaar.
  • Angst in sociale situaties is de belangrijkste factor voor het
    zwijgen van kinderen met selectief mutisme.

Wat typeert kinderen met selectief mutisme?

Wat kinderen met selectief mutisme gemeen hebben is dat ze lange tijd niet spreken in bepaalde situaties. Op andere gebieden verschillen kinderen met selectief mutisme van elkaar.

Hieronder staan een aantal kenmerken die kinderen met selectief mutisme typeren, maar die bij ieder kind ook weer net een beetje anders kunnen zijn.

Manier van communiceren

De meeste kinderen spreken thuis vrijuit, maar zwijgen bijvoorbeeld:

  • als er bezoek komt thuis;
  • als ze bij vriendjes of vriendinnetjes gaan spelen;
  • tegen andere kinderen op school of in de buurt;
  • tegen volwassenen op school;
  • in winkels of andere plekken buitenshuis.

Sommige kinderen spreken:

  • soms een enkel woordje of fluisteren alleen;
  • wel als hun ouder erbij is, maar niet zonder ouder erbij;
  • wel op het schoolplein, maar niet in de klas;
  • wel tegen kinderen, maar niet tegen volwassenen.

Hoewel veel kinderen wel non-verbaal communiceren door middel van knikken of nee schudden en soms met gebaren, vinden ze dat vaak ook lastig. Het levert vooral spanning op als ze direct worden aangesproken of een directe vraag krijgen, waarbij ze verwachtingsvol worden aangekeken.

Ander gedrag dat vaak voorkomt:

  • Angstig gedrag dat soms zo erg is dat kinderen een vlakke gezichtsuitdrukking krijgen en een houterige motoriek.
  • Blokkeren bij plotseling in de aandacht staan of een directe vraag.
  • Perfectionisme en faalangst.
  • Moeite met veranderingen, vooral als het nieuwe of onbekende dingen betreft.
  • Moeite met keuzes maken.
  • Thuis soms driftig, mogelijk vanwege hele dag niet kunnen uiten op school.

Hoe verschilt het van verlegenheid?

  • Kinderen met selectief mutisme zien er soms helemaal niet zo verlegen uit. Je ziet hun angst niet altijd goed aan ze.
  • Kinderen die verlegen zijn praten wel, maar meestal zachtjes, soms onduidelijk of niet in grotere groepen, maar wel één-op-één of in een vertrouwd groepje.
  • Kinderen die verlegen zijn, raken in de loop van een schooljaar vaak steeds meer op hun gemak en gaan duidelijker praten. Kinderen met selectief mutisme raken vaak ook langzaamaan op hun gemak, maar blijven desondanks zwijgen.

Hoe verschilt het van koppigheid?

Als kinderen koppig lijken, is dat vaak een gevolg van heftige angst en blokkeren. Kinderen met selectief mutisme zijn vaak wel heel wilskrachtig en enorme doorzetters. Hun wilskracht kan maken dat ze vasthouden aan iets wat ze in hun hoofd hebben en dat kan koppig overkomen. Hun zwijgen heeft echter niets te maken met niet willen spreken. Het is géén bewuste (koppige) keuze om niet te spreken. Het lukt ze niet om te spreken.

Soms lijkt het op een autismespectrumstoornis:

  • Selectief mutisme kan soms samengaan met autisme.
  • Selectief mutisme kan ook lijken op autisme, omdat kinderen in situaties waarin de angst heel groot is soms een vlakke gezichtsuitdrukking of stijve motoriek hebben.
  • Goed onderzoek is nodig om het onderscheid te maken tussen selectief mutisme en gedrag dat beter past bij andere classificaties.

Hoe ga je om met een stil kind in de klas?

Blijft jouw leerling opvallend stil, heel erg verlegen en/of angstig in contact met anderen? Weet je nog niet precies wat er aan de hand is, maar wil je wel alvast wat doen om je leerling te helpen? Dan kunnen de volgende tips helpen.

Praat met de ouders

Als de leerling na de eerste maand op school nog steeds niet of nauwelijks spreekt, praat dan met de ouders. Zo krijg je meer informatie over de vaardigheden die een kind wel thuis kan laten zien, maar nog niet op school. Vaak levert het ook handvatten op hoe je het beste contact kan maken met de leerling en veiligheid kan bieden.

Hoe is de leerling thuis? Hoe praat die daar? Herkennen ouders angstig gedrag of zwijgen in bepaalde situaties, bijvoorbeeld buitenshuis? Weten ouders al iets over de redenen ervan? Weten ze wat hun kind helpt en wat niet?

Algemene tips voor een veilig klimaat voor stille kinderen

Bied veiligheid en vertrouwen

Oefen geen druk uit op spreken. Dat werkt averechts. Bied veiligheid door angst te erkennen en te normaliseren:
“Ik zie dat je dit spannend vindt. Dat geeft niks. Dat vinden andere kinderen soms ook.”
“Laten we samen eens kijken hoe…”

Geef ruimte en voorspelbaarheid

Laat kinderen ‘in de luwte’ spelen of werken, bijvoorbeeld in een klein groepje of geef een taakje waarbij er niet op hen wordt gelet. Loop af en toe langs en maak een positieve opmerking over waar het kind mee bezig is.
Kinderen met een geremd temperament kijken graag de kat uit de boom. Het helpt als ze de tijd krijgen om ‘op te warmen’ of gedrag eerst van anderen ‘af te kijken’.

Bereid de leerling voor op nieuwe situaties

Voorspelbaarheid helpt kinderen om zich minder angstig te voelen omdat ze weten wat er gaat gebeuren en wat er van hen wordt verwacht. Dit helpt ook bij een (kring)gesprek. Vertel de leerling bijvoorbeeld waar de kring over gaat, of je wel of niet een vraag aan de leerling gaat stellen en welke vraag. Geef de vraag van tevoren mee naar huis, zodat ouders kunnen helpen het antwoord voor te bereiden.

Maak plezier

Heel stil gedrag kan voelen als een afwijzing, maar dat is schijn. Je bent belangrijk! Maak plezier met grapjes, interesse en spel. Stimuleer interactie en probeer eens wat de leerling durft tijdens (buiten)spel, één-op-één momenten, samen met een vriend(innet)je, broer/zus of ouder. Humor helpt om spanning bij angstige kinderen te verlagen.

Zorg dat de leerling gezien wordt

Stille kinderen worden soms over het hoofd gezien. Laat merken dat je de leerling ziet met een complimentje en door diens naam te noemen. Geef non-verbale taken die de leerling durft, bijvoorbeeld iets voor je halen, materiaal uitdelen of een ander helpen. Zo krijgt de leerling een belangrijke rol, iets om trots op te zijn, en wordt gezien. Stimuleer non-verbale communicatie, zoals knikken, aanwijzen of gebruik van een wisbordje. Daardoor oefent de leerling met communicatie in plaats van vermijding of terugtrekken. Complimenteer elke poging tot non-verbale communicatie en nieuw gedrag. Benadruk dat proberen belangrijk is. Wees specifiek als je een compliment maakt: “Wat goed dat je mij laat weten dat je wil knutselen!” Geef complimenten met een rustige, vriendelijke stem zodat ze er niet door overrompeld worden en overmatig in de aandacht komen te staan.

Maak het bespreekbaar

Soms zeggen klasgenootjes over een leerling “Hij kan niet praten”. Je kan reageren door uit te leggen dat de leerling heel goed kan praten, maar oefent om het ook op school te durven. Het is een goede gelegenheid om met de klas te praten over bang zijn en leren durven, bijvoorbeeld aan de hand van een prentenboek. Alle leerlingen zullen situaties meemaken waarin ze bang zijn om iets nieuws te doen en moeten oefenen met durven.

De slogan “van proberen ga je leren”, helpt om faalangst de baas te worden. Het is aardig dat andere kinderen helpen door soms voor de leerling te praten, maar probeer samen ook een manier te vinden waarop de leerling zelf kan aangeven wat het wil of nodig heeft. Dat kan bijvoorbeeld op een rustig één-op-één momentje als anderen niet meeluisteren, door middel van non-verbale communicatie of met behulp van kaartjes met een vraag of symbool erop.

Kinderen met een geremd temperament kijken graag de kat uit de boom.

Tips om leerlingen uit te nodigen tot spreken zonder druk

Vertel meer, vraag minder

Probeer het aantal vragen waarop ongemakkelijke stiltes volgen te verminderen.
Verwoord liever wat je de leerling ziet doen: “Je tekent een taart. Weet je wat ik lekker vind? Chocoladetaart.’’
Benoem wat de leerling mogelijk denkt: “Ik denk dat je dit nog spannend vindt”.
Verifieer: “Klopt dat? Want dan kan ik je helpen. Dan gaan we …”.
Toon interesse: “Ik ben benieuwd wie dit is op je tekening.”
Spreek een verwachting uit zonder druk: “Ik zou het leuk vinden als je me dat op een dag gaat vertellen.”

Herhaal

Herhaal wat een kind zegt en bouw er positief op voort, liefst met een opmerking en niet met een vraag. Zo voelt een kind zich gehoord, zonder druk op (meer) spreken. Als kinderen heel zachtjes praten, helpt herhalen om hun aandeel in een groepsgesprek weer te geven:
Wanneer het kind zachtjes zegt: “Blauw”, herhaal dat en borduur er positief op voort: “Jij wil het blauwe blad. Goed, zeg. Dat vind ik ook een mooie kleur.”

Wacht vijf seconden

Stel je de leerling een vraag? Laat dan geen hele lange stiltes ontstaan, maar geef de leerling wel even de tijd. Houd het tempo van een activiteit rustig en geef de leerling circa vijf seconden de tijd om iets te zeggen. Als het antwoord uitblijft, reageer dan luchtig: van proberen ga je leren. Toon begrip voor spanning en geef steun en vertrouwen dat het met oefenen gaat lukken.

Contact met de ouders

Vraag ouders wat de leerling leuk vindt. Zijn er dingen die de leerling wil laten zien? Denk aan nieuw speelgoed, een spelletje op de computer, een YouTubefilmpje, knutselwerkjes en foto’s van thuis of van een uitje. Dit helpt bij het opbouwen van een band en kan een manier zijn om communicatie te stimuleren.

Een kort lijntje tussen school en thuis is heel helpend. Via mail of app kunnen ouders aangeven wat de leerling wil vertellen of laten zien, wat ze in het weekend gedaan hebben, wat hun kind thuis vertelde over iets wat er op school is gebeurd of waar het hulp bij nodig heeft. Dat maakt het makkelijker om er vervolgens op school gericht naar te vragen of op in te spelen. Aan de hand van een foto van thuis kan een leerling toch iets laten zien in de kring. Andere kinderen kunnen vragen stellen waarop de leerling ja kan knikken of nee kan schudden. Dat is een goede oefening voor het in de belangstelling staan in plaats van vermijden.

Zegt uw leerling ineens een woordje?

Stille kinderen krijgen niet graag plotseling de volle aandacht. Een goedbedoeld applaus van de hele klas is niet voor iedereen fijn. Reageer liever rustig en niet overenthousiast, maar laat (eventueel wat later) merken dat je het gehoord hebt en waardeert.

Compenseren of dispenseren

Stappen die te hoog gegrepen zijn, worden faalervaringen. Hulp vragen is voor veel kinderen het moeilijkst. Faalervaringen kan je voorkomen met alternatieven voor wat nog niet lukt. Sta non-verbale communicatie en hulpmiddelen toe zoals een vraagdobbelsteen of kaartjes met een tekst of symbool om hulp te vragen of het gebruik van een wisbordje om iets op te schrijven waar nodig. Vervang verbale activiteiten zoals een spreekbeurt of toetsen, door bijvoorbeeld een werkstuk, collage, audio-opname die de leerling thuis opneemt, spreekbeurt in een klein groepje, voorlezen etc.. Let op: geschreven of digitale communicatie is niet voor alle kinderen minder stressvol. Overleg ook met de ouders op welke manier je het kind het best kunt ondersteunen met wat nog niet lukt.

Belonen

Als je samen oefent met bepaald gedrag kan een beloningsprogramma helpend zijn. Maak het zo dat kinderen hun voortgang zien groeien. Denk aan een stickerkaart met vakjes, vlaggetjes in steekschuim, stukjes van een puzzel, kraaltjes aan een armbandje, of iets anders soortgelijks. Maak er een groepsbeloning van door bij een volle kaart samen een spel te spelen of langer te gymmen.

Voorkom faalervaringen door alternatieven te bedenken.

Tips voor lastige situaties

Groeten

Groeten vinden veel kinderen heel moeilijk. Bedenk een ritueel, bijvoorbeeld met een high five. Begroet de leerling zonder antwoord te verwachten: “Goedemorgen Layla, wat fijn dat je er bent. Mooi t-shirt heb je aan”. Spreek een vaste vraag af waarop de leerling ja kan knikken of nee kan schudden: “Ha Layla, fijn je te zien. Heb je goed geslapen?”

Erken angst of spanning

“Ik zie dat je dit nog spannend vindt. Dat geeft niet. Ik weet dat je aan het proberen bent. Een volgende keer lukt het je vast om…” Bij kinderen met selectief mutisme is het soms moeilijk om spanning goed te herkennen. Omdat ze geen hulp vragen en soms een vlakke gezichtsuitdrukking hebben, kunnen ze ongeïnteresseerd lijken of koppig. Dat is schijn. Het is een uiting van ‘bevriezen’ of blokkeren.

Als je ziet dat je leerling blokkeert, kun je dat het beste erkennen en normaliseren. Samen met je leerling kan je zoeken naar een manier om te deblokkeren en weer verder te kunnen. Zeg bijvoorbeeld: “Ik zie dat je nu even helemaal vastzit. Dat is niet erg. Dat kan gebeuren. We gaan dit [deze vraag of taak] even stoppen. Eerst weer los komen. Wat kan jou nu helpen? Ik denk…” Bied dan een oplossing aan: een andere activiteit doen, desgewenst met een klasgenootje, water drinken, koptelefoon opzetten en even muziek luisteren etc.. Realiseer je dat een kind dat blokkeert geen keuze kan maken uit verschillende opties, dus bied liever iets aan. Als dat niet helpt, bied je iets anders aan. Belangrijk is dat de leerling ziet dat het niet erg is en geholpen wordt om zich te reguleren. Complimenteer de leerling met het loskomen uit de blokkade.

Als je ziet dat je leerling blokkeert, kun je dat het beste erkennen en normaliseren.

Tips voor een gesprek met de ouders

  • Niet alle ouders herkennen het beeld dat jij als leerkracht van de leerling hebt. Verlegenheid valt thuis vaak ook op, maar niet zo duidelijk als op school. Kinderen met selectief mutisme zijn juist thuis heel anders. Probeer samen een beeld te schetsen van het gedrag op school én thuis.
  • Vraag ouders naar het gedrag van hun kind in winkels, bij familie, bij buren of kennissen. Nodig de ouders uit in de klas. Durft hun kind dan te praten? Zien ouders wat jij ziet?
  • Vraag ouders of ze een filmpje hebben van thuis om een beeld te krijgen van het gedrag en van de spraak van hun kind thuis. Let op: bekijk geen filmbeelden in bijzijn van de leerling. Een kind dat spreken zo spannend vindt dat het dit helemaal vermijdt, wordt hiermee opeens geconfronteerd met een situatie die angst oproept. Dat kan averechts werken.
  • Help ouders om geen druk uit te oefenen. Als zij hun kind bijvoorbeeld elke dag aansporen om jou te groeten, begint elke schooldag met een faalervaring. Bespreek met ouders wat je wel en nog niet verwacht, bijvoorbeeld over de manier waarop een kind groet of antwoord geeft.
  • Help ouders om positief te reageren op pogingen van de leerling om nieuw gedrag te tonen, ook als het nog niet lukt.
  • Wees een voorbeeld voor ouders en vier samen met leerling en ouders kleine successen.

Het STAPpenplan: Hoe je een leerling stimuleert tot spreken

Om angst te overwinnen is eerst een veilig klimaat nodig. In het vorige hoofdstuk werkte je daaraan. Voelt de leerling zich voldoende veilig? Gaat de leerling graag naar school volgens ouders? Dan kan je de leerling stimuleren in kleine stapjes. Bij stille kinderen kan dat helpen, maar bij sommige kinderen helpt het niet voldoende. Dan is er mogelijk sprake van selectief mutisme en is er extra hulp nodig.

Jij hebt dan met behulp van het STAPpenplan waardevolle informatie te bieden over welke situaties makkelijker en moeilijker waren voor jouw leerling. Betrek je IB’er en zo nodig het samenwerkingsverband. Angst overwin je in kleine stapjes die tot succeservaringen leiden. Met deze STAPpen creëer je condities waarin de leerling kan oefenen.

STAP staat voor Situatie, Taalinhoud, Activiteit en Persoon. Deze vier elementen dragen allemaal bij aan de moeilijkheidsgraad van stapjes. Ze zijn gebaseerd op onderzoek waaruit blijkt dat deze elementen een gesprekje voor stille kinderen makkelijker of moeilijker maken.

De vier elementen zijn als het ware vier knoppen waaraan je kan draaien om de condities voor oefensituaties en succeservaringen te bepalen. Elke knop draait van makkelijk naar moeilijk.

We gaan eerst in kaart brengen waar (Situatie), hoe (Taalinhoud), tijdens welke activiteit (Activiteit) en met wie (Persoon) jouw leerling het meeste durft te spreken of (non-verbaal) te communiceren.

Voor Layla was de Situatie op het plein met andere kinderen het makkelijkst. Als de leerkracht niet in de buurt was sprak ze met haar vriendinnetjes. Een stapje moeilijker was als de leerkracht langs liep. De Activiteiten waarbij Layla zich het beste op haar gemak leek te voelen waren speelse activiteiten met veel beweging. In de klas met veel kinderen in de buurt communiceerde ze het minst. Over de andere elementen had de leerkracht nog niet veel informatie. Ze begon met observeren.

Daarmee kwam ze tot een STAPpen-plan. Voor Layla leek haar communicatieangst het laagste als ze: speelde op het plein zonder volwassenen in de buurt (Situatie), kon fluisteren in enkelvoudige woorden (Taalinhoud), tijdens speelse activiteiten met beweging (Activiteit) en met drie vertrouwde vriendinnetjes (Persoon).

Breng nu eens in kaart wanneer jouw leerling weinig of veel moeite heeft met (nonverbaal) communiceren. Per element probeer je stapjes van makkelijker naar moeilijker op te schrijven. Noteer deze stapjes voor jezelf in een schrift of achterin dit boekje. Bij elk element vind je voorbeelden die mogelijk van toepassing kunnen zijn op jouw leerling en jouw klas. Weet je het nog niet precies? Dat is niet erg, want al doende zal je meer observeren en kunnen aanvullen of aanpassen.

Breng eens in kaart wanneer jouw leerling weinig of veel moeite heeft met (nonverbaal) communiceren.

Situatie

Wáár komt de leerling het beste tot communicatie met behulp van geluiden/gebaren/geluid/spreken? Denk aan:

  • Op het speelplein;
  • Buiten de klas/op de gang/aparte ruimte;
  • Tijdens ongedwongen spel;
  • Tijdens gestructureerde taken;
  • Met een schoudermaatje/in een klein groepje;
  • Bij de tafel van de leerkracht.

Taalinhoud en volume

Wát doet de leerling al om (nonverbaal) te communiceren? Wat zou makkelijker of moeilijker zijn? Maak voor de leerling een ordening van makkelijk naar moeilijk. Voor de meeste leerlingen staan de onderstaande stapjes al op volgorde van makkelijker naar moeilijk.

  • Gebaren en non-verbale communicatie;
  • Letters noemen en geluiden maken (bijvoorbeeld tijdens spel met dierengeluiden of tijdens lezen van losse letters);
  • Enkelvoudige woorden gebruiken (bijvoorbeeld: de leerling fluistert een enkel woord om te laten weten wat die wil of beantwoordt een vraag waarop één concreet antwoord mogelijk is, zoals: “Welke kleur heeft melk?”);
  • Gesloten vragen beantwoorden: “Wil je rood of blauw?”;
  • Spreken in een voorspelbare (voorgeschreven) situatie, bijvoorbeeld tijdens spelletjes als ‘wie-is-het?’ Of ‘ik zie, ik zie, wat jij niet ziet’;
  • Lezen van woorden.

Activiteit

Bij welke activiteit lijkt de leerling zich het meest op hun gemak te voelen? Sommige kinderen voelen zich beter bij spel met veel beweging, waarin je elkaar minder aankijkt en de situatie actief is. Andere kinderen blokkeren juist gemakkelijk in vrije situaties en voelen zich beter bij een rustige taak aan tafel. Wat lijkt het fijnst voor jouw leerling?

Maak voor jouw leerling een lijstje met stapjes van makkelijk naar moeilijk. Je kunt de notitieruimte achterin dit boekje en onderstaande suggesties gebruiken.

  • Actieve spelletjes met veel beweging;
  • Rustige taken aan tafel;
  • Creatieve activiteiten (bijvoorbeeld samen tekenen waarbij je elkaar niet hoeft aan te kijken);
  • Spelen achter de computer waarbij je naast elkaar zit en naar het scherm kijkt;
  • Leertaken (die niet te moeilijk zijn, maar wel structuur bieden. Bijvoorbeeld: tellen, kleuren benoemen, woordjes lezen, etc.);
  • Gezelschapsspelletjes;
  • Wanneer ze iets kunnen laten zien van thuis, van een hobby of een favoriet filmpje of computerspelletje;
  • Taken waarbij ze mogen helpen door bijvoorbeeld met jou mee te lopen om iets op te halen of jou te helpen iets te ordenen.

Persoon

Bij welke persoon lijkt de leerling zich het meest op hun gemak te voelen? Sommige kinderen lijken meer ontspannen als er iemand bij is, zoals een ouder of een vriend(in). Andere kinderen durven juist meer te proberen als ze met jou alleen zijn en er geen anderen in de buurt zijn. Wat lijkt het fijnste voor jouw leerling?

  • Broer/zus/ouder (erbij)?
  • Vriendje/vriendinnetje/schoudermaatje?
  • Welke leerkracht?
  • Klein groepje?
  • De onderwijsassistent of stagiaire?

Aan de slag

Als je weet welke stapjes er bij de vier elementen op één (meest gemakkelijk) staan, kan je ermee aan de slag. Waarschijnlijk heb je nu een situatie waarin jouw leerling al enigszins communiceert (bijvoorbeeld als de leerling bij jou aan tafel staat en er geen andere kinderen zijn die op hen letten (Situatie), fluistert de leerling een enkelvoudig woord in antwoord op een gesloten keuze vraag (Taalinhoud), om aan te geven in welke hoek hij wil spelen (Activiteit) tegen jou en tegen je duo-partner (Persoon).
Begin ermee dat je regelmatig deze situatie creëert om je leerling de kans te geven er zekerder in te worden. Laat je leerling weten dat je het waardeert dat die dat durft aan te geven en hoe trots je op deze leerling bent. Je kan het extra bekrachtigen met een beloningsprogramma (zie bladzijde 18). Als dit gedrag voldoende vertrouwd is geworden, kan je een volgend stapje nemen.

Kijk in het STAPpenplan naar de vier elementen om te zien aan welke ‘knop’ je nu het beste kan ‘draaien’ om er een stapje bovenop te doen in een bepaalde situatie waarin het kind al enigszins communiceert. Draai altijd maar aan één knop tegelijk. Dus: verander ofwel de Situatie, ofwel de Taalinhoud, ofwel de Activiteit of de Persoon, maar nooit meer dan één.

Bijvoorbeeld

De leerkracht van Layla veranderde de Situatie. Ze zorgde dat ze vaak in de buurt was als Layla speelde op het plein. Soms liep ze even langs, soms maakte ze een positieve opmerking. Langzaam verkleinde ze de gehoorsafstand tussen haar en Layla met haar vriendinnetjes.

De leerkracht van Dennis veranderde de Taalinhoud. Ze hoorde van zijn ouders dat Dennis geïnteresseerd was in letters. Ze speelde met Dennis en de twee vriendjes waarmee hij zich het meest op zijn gemak voelde een spelletje met letters. Dennis mocht de letters in het oor van zijn vriendjes zeggen. Elke keer dat dit lukte verdiende hij een punt voor zijn groepje. Dennis was supertrots en fluisterde af en toe al wat harder zodat de leerkracht het bijna kon verstaan.

De leerkracht van Eloy veranderde de Activiteit. Ze had gemerkt dat Eloy soms wel antwoord gaf, maar het moeilijk vond als hij in de directe belangstelling stond. Ze besloot wat vaker activiteiten aan te bieden waarbij Eloy kon bouwen of knutselen. Tijdens deze ongedwongen activiteit waarbij hij haar niet hoefde aan te kijken, durfde hij soms te zeggen wat hij bouwde.

De leerkracht van Eline veranderde de Persoon. Ze merkte dat Eline weg was van de nieuwe stagiaire. Ze vroeg de stagiaire geregeld even met Eline te spelen of samen iets te gaan kopiëren. Eline begon te praten tegen de stagiaire, terwijl ze dat tegen anderen nog niet deed.

Draai niet aan meer dan één knop tegelijk. Als een nieuw stapje lukt, herhaal die dan een tijdje zodat de leerling zich er steeds beter bij voelt. Complimenteer of beloon de poging, niet het resultaat. Elke poging tot dapper gedrag is een stap in de goede richting. Lukt het niet, stel dan gerust, want van proberen ga je leren en oefening baart kunst!

Een volgend stapje

Als je een volgend stapje wil maken, kijk je aan welke knop je nu het beste kan draaien.

De leerkracht van Layla veranderde vervolgens de Activiteit. Ze deed mee met een balspel op het plein waarbij de kinderen telden. Ze stond een heel eind van Layla af. Layla telde zo zacht dat de leerkracht het niet kon horen, maar haar vriendinnetje wel. Zo oefende Layla met spreken in een situatie waarin de leerkracht meedeed met de gestructureerde activiteit (tellen), en waarbij alle andere elementen (Situatie: spelen op het plein, Taalinhoud: cijfers fluisteren, en Persoon: met vriendinnetjes en leerkracht op grote afstand) hetzelfde bleven.

De leerkracht van Dennis veranderde nogmaals de Taalinhoud. Na de letters speelde ze met cijfers. De andere elementen bleven hetzelfde (Situatie: spelen in een klein groepje, Activiteit: gestructureerd leertaakje aan tafel, Persoon: dezelfde vriendjes).

De leerkracht van Eloy veranderde de Situatie. Eloy speelde ook in de zandbak. Ze ging er regelmatig bij zitten, zonder hem recht aan te kijken en stelde ongedwongen vragen over wat hij aan het bouwen was. De andere elementen bleven hetzelfde (Taalinhoud: soortgelijke vragen, Activiteit: bouwen met zand, Persoon: dezelfde leerkracht).

Je kan de bovenstaande stapjes op een ongedwongen manier proberen te maken en eens uitproberen wat makkelijker gaat en wat minder makkelijk. Probeer een nieuw stapje niet één keer maar meerdere keren, tenzij je ziet dat het te veel spanning oproept. Dan is de stap vaak te groot. Het is goed om spanning te erkennen. Als het dragelijke spanning is, complimenteer je de leerling: “Ik zie dat je het spannend vindt en toch ga je door en oefen je. Wat knap is dat.” Als de spanning te hoog is vang je de leerling op: “Volgens mij is dit nog een te grote stap. Dat is niet erg. Dat kan gebeuren en niet alles lukt direct. We gaan het even anders doen”. Hiermee leer je leerlingen omgaan met dingen die niet direct lukken.

Als je een beloningssysteem inzet, zal je voor de leerling niet meer ongemerkt te werk gaan, maar de leerling juist vertellen wat jullie samen gaan proberen. Leg dan uit dat je gaat helpen om nieuwe stapjes te nemen en dat je samen gaat zoeken naar stapjes die spannend zijn, maar nooit te moeilijk. Als het te moeilijk is, dan gaan jullie een ander stapje bedenken. Je kan een nieuw stapje aankondigen door iets te zeggen als: “Wat ging dit spel goed, zeg. Morgen neem ik een ander spelletje voor je mee. Dat gaat zo [geef uitleg]. We gaan samen eens kijken of we dat ook kunnen oefenen en als het dan gelukt is, dan zoeken we weer een nieuwe kraal uit voor aan je ketting.”

Bij sommige kinderen werkt de meer ongedwongen benadering waarin de oefenstapjes niet expliciet benoemd worden. Andere kinderen profiteren beter van een benadering waarbij ze weten waar ze aan toe zijn, weten waarvoor ze voor oefenen en genieten van de tastbare vooruitgang. Gaandeweg ontdek je samen met de leerling wat het best werkt.

Wanneer is er extra hulp nodig?

Sommige stille kinderen zullen meer gaan communiceren met behulp van het STAPpenplan. Het zal ze zelfvertrouwen en trots opleveren over de vooruitgang die ze boeken. Andere kinderen helpt het niet of niet genoeg. Als het stille gedrag met behulp van de tips en stappen in dit boekje niet minder wordt, of als vooruitgang zich beperkt tot één leerkracht maar niet tot anderen (bijvoorbeeld in een volgende klas), is extra hulp nodig.

Er kan sprake zijn van selectief mutisme. Dat is met goede samenwerking tussen ouders, leerkracht en professionele hulp meestal goed te behandelen als tijdig hulp wordt ingezet.

Wanneer is het verstandig om hulp te vragen voor diagnostiek, advies, begeleiding of behandeling?

Als de leerling:

  • spreekt maar opvallend angstig is in verschillende situaties en daardoor belemmerd wordt in sociale activiteiten of leeractiviteiten;
  • in groep 1 of 2 ondanks de handelingsadviezen niet binnen een maand of twee tot vier tot spreken komt;
  • in een hogere groep zit en de problematiek al langer speelt;
  • ieder schooljaar weer enkele maanden nodig heeft voor het tot spreken komt met een nieuwe leerkracht;
  • consequent tegen kinderen spreekt, maar nooit tegen
  • volwassenen (leerkrachten);
  • plotseling stopt met praten tegen anderen, terwijl die dit daarvoor wel deed;
  • andere problemen heeft op het gebied van sociale interactie, communicatie of gedrag.

Scholen kunnen het samenwerkingsverband inzetten om advies of extra begeleiding in te schakelen. Ouders kunnen zich wenden tot een jeugdteam voor goede diagnostiek en specialistische hulp. Meer informatie over selectief mutisme, waaronder tips, video’s, leestips en prentenboeken, vind je op:

Als het stille gedrag niet minder wordt, is extra hulp nodig.

Met dank aan…

De totstandkoming van dit boekje is een initiatief van het Expertise Team Selectief Mutisme (S.T.E.M.) onder leiding van prof. Maretha de Jonge en de Ambulant Educatieve Dienst Leiden.

In het expertiseteam werken onderzoekers en studenten van de Universiteit Leiden en gedragsdeskundigen van het Leids Universitair Behandel- en Expertisecentrum (LUBEC) samen. De uitvoering werd mogelijk gemaakt door de Vereniging voor Gedrags- en Cognitieve therapieën (VGCt).

Graag bedanken we iedereen die heeft meegewerkt aan de inhoud van het boekje, in het bijzonder Maretha de Jonge, Ellen Kubicki, Yana Vijzelman, Danielle van Meurs (S.T.E.M), Stefanie Roland, Veronique van Wijk, Gerda Kamsteeg (AED), Maria Bekendam (VGCt) en Alexandra Kist (VGCt).

Misschien ook interessant voor jou

Focus Mode