Als traumabehandelaar was ik nog niet bekend met Cognitive Processing Therapy, wel hoorde ik er steeds vaker over. Toen de Nederlandse vertaling van het boek van Patricia Resick en collega’s uitkwam, was ik nieuwsgierig naar hoe cognitieve verwerkingstherapie (de Nederlandse vertaling van CPT) in elkaar steekt en of het een waardevolle aanvulling zou kunnen zijn op het bestaande behandelaanbod. Het boek is door de duidelijke structuur en uitgebreide werkmaterialen geschikt als naslagwerk én als praktische handleiding.
Wat is cognitieve verwerkingstherapie (CPT)?
CPT grijpt aan op de cognitieve impact van trauma: cliënten ontwikkelen na ingrijpende gebeurtenissen vaak rigide of vervormde overtuigingen die leiden tot klachten als angst, flashbacks, schuldgevoel, schaamtegevoelens en vermijding. De behandeling bestaat uit twaalf sessies, waarin cliënten leren om disfunctionele gedachten en gedrag te herkennen, analyseren en vervangen door meer helpende overtuigingen. Hierbij ligt de nadruk niet op het herbeleven of uitwerken van traumadetails, maar op het onderzoeken van ervaringen van de cliënt.
Het boek: van theorie naar toepassing
Het boek is opgedeeld in drie delen. In deel I wordt ingegaan op de theoretische uitgangspunten, neurobiologische modellen, en evidentie van CPT. Dat CPT direct aangrijpt op cognities, is een belangrijk verschil met bijvoorbeeld EMDR en imaginaire exposure (IE), waar de primaire aandacht uitgaat naar de meest emotionele aspecten van de traumatische herinnering.
De effectiviteit van CPT is aangetoond, voornamelijk in studies bij mannelijke veteranen en vrouwen die interpersoonlijk geweld mee hebben gemaakt. De onderbouwing komt echter niet overal goed uit de verf, omdat aangehaalde vergelijkingsstudies ook blijken te gaan over onder andere meditatietechnieken en een behandeling voor eetstoornissen. Over adolescenten wordt beschreven dat CPT geschikt is als behandeling, hier is echter nog nauwelijks onderzoek naar verricht. Naar therapieën die, naast CPT, in de richtlijn PTSS worden geadviseerd (EMDR, IE, ImRS, BEPP, NET en schrijftherapie) zijn (nog) geen vergelijkende effectstudies gedaan. Deel II bevat een sessie-voor-sessie beschrijving van het behandelprotocol met bijbehorende werkbladen. In de sessies worden middels het socratisch gesprek vastzittende punten onder de loep genomen.
Deel III bespreekt variaties op CPT, zoals groepsvormen en online toepassingen, en specifieke cliëntkenmerken.
Sterke punten van het boek
De uitwerking per sessie biedt duidelijke instructies, voorbeelden en werkmaterialen. De structuur van het protocol maakt het hanteerbaar voor therapeuten van verschillende niveaus. Ook wordt er aandacht besteed aan obstakels in de behandeling, zoals het niet maken van huiswerk of terugval in disfunctionele patronen. Daarnaast biedt het boek waardevolle handvatten voor de cognitieve casusconceptualisatie en de socratische dialoog.
Een ander sterk punt is de inclusie van werkvormen rondom traumarelevante thema’s zoals vertrouwen, controle, intimiteit en eigenwaarde. De nadruk op het betrekken van het sociale netwerk sluit tot slot aan bij onderzoek waaruit blijkt dat sociale steun herstel van PTSS bevordert.
Kritische kanttekeningen
Het boek kent ook zwakke punten. Zo is de toon op momenten schools en normatief, waarbij de therapeutische relatie weinig ruimte krijgt. Instructies zoals “luister zonder empathie” (bij CPT+A) kunnen botsen met het belang van veiligheid in traumabehandeling. Ook is de hoeveelheid huiswerk buiten de sessies om voor sommige cliënten mogelijk te belastend, zeker aangezien er bij cliënten vaak sprake is van concentratieproblemen. De auteurs gaan nauwelijks in op haalbaarheid en het op maat maken van het protocol bij cliënten met beperkte cognitieve of emotionele draagkracht.
Daarnaast ontbreekt een bredere reflectie op de plaats van CPT ten opzichte van andere behandelvormen. Vergelijkingen van CPT met bijvoorbeeld EMDR en IE worden slechts zijdelings en oneigenlijk gemaakt. Het boek blijft hiermee te veel binnen de eigen CPT-kaders en mist een genuanceerde bespreking van indicatiestellingen of cliëntvoorkeuren.
Ook opvallend is het ontbreken van aandacht voor de lichamelijke dimensie van trauma. CPT blijft sterk talig, waardoor het risico bestaat dat cliënten met een meer somatische of dissociatieve traumapresentatie minder aansluiting vinden.
Conclusie
Cognitieve verwerkingstherapie voor PTSS is een gedetailleerd en gestructureerd handboek voor therapeuten die zich willen verdiepen in CPT. De methode biedt een alternatief voor meer ervaringsgerichte behandelingen, maar is wetenschappelijk matig onderbouwd. Daarnaast is het protocol vrij rigide, en laat het boek weinig ruimte voor aanpassing rondom de therapeutische relatie, cliëntvoorkeuren of complexiteit van traumapresentatie. Als CPT een plaats krijgt in het Nederlandse behandellandschap, zou die idealiter gepaard gaan met ruimte voor maatwerk en interdisciplinaire integratie.
Score

Informatie

Titel:
Cognitieve verwerkingstherapie voor PTSS: Een praktische therapeutenhandleiding
Auteur/Redactie:
Patricia A. Resick, Candice M. Monson & Kathleen M. Chard
Uitgever:
Uitgeverij Nieuwezijds
ISBN:
9789057126123
Onderwerp:
Traumabehandeling: cognitieve verwerkingstherapie (CPT) voor PTSS
Doelgroep:
Therapeuten die zich willen verdiepen in CPT
Beweringen en meningen, geuit in artikelen en mededelingen op de boekrecensiepagina’s van deze site, zijn die van de auteur(s) en niet (noodzakelijkerwijs) die van de VGCt.