Of hij ook drugs gebruikte. Nou en of. In geuren en kleuren pende mijn vijftienjarige zoon zijn ervaringen met drugs neer. Waarna we prompt werden uitgenodigd voor een Gesprek. Met hoofdletter G, want je weet: dit wordt Gezellig.
Begrijp me niet verkeerd, vragenlijsten zijn een briljante uitvinding. Tot het moment dat iemand ze daadwerkelijk gaat invullen. Dan worden het een soort Rorschachtests zonder het bijbehorende imago. Met het drugsgebruik van mijn zoon valt het namelijk best wel mee: koffie en ADHD-medicatie. That’s it. Maar er was geen apart vakje voor medicatie en ik heb mijn zoon in een grijs verleden keurig uitgelegd wat ADHD-medicatie in chemisch opzicht eigenlijk is.
Nu zou je kunnen denken dat het hele gebeuren vooral wat zegt over mijn zoon. Maar nee, zo uniek is hij niet. Neem het SDQ-item ‘maakt zich vaak zorgen’. Grote kans dat je het kent. In westerse culturen wordt dat vrij standaard gelezen als ‘is angstig’. Maar in andere culturen wil zo’n item nog wel eens worden geïnterpreteerd als ‘is volwassen’, ‘is bedachtzaam’, of naar Haagse interpretatie: ‘waarom vraag je dat? Bemoei je lekker met je eige, joh’. Eén item, vier interpretaties.
Maar het probleem reikt verder dan multi-interpretabele vragen over psychische problematiek. Het komt ook voor bij zogenaamd simpele vragen. “Hoeveel kamers heeft uw huis?” Kán niet fout gaan, denk je dan. Maar dan vergeet je voor het gemak dat het in sommige landen gewoon is om de keuken mee te tellen, de gang, of zelfs de berging en buitenruimtes. En zo ontstaat al snel het beeld dat arme regio’s vol staan met gigantische villa’s van acht kamers, terwijl rijke Scandinaviërs massaal in armetierige driekamerhokjes wonen. Als je die cijfers blind vertrouwt, zou je dus zomaar kunnen denken dat de woningmarkt zo overspannen is geraakt dat mensen tegenwoordig in armoede terechtkomen omdat ze boven hun stand moeten gaan wonen. Of dat welvaart en hoeveelheid Vragenlijsten leefruimte omgekeerd evenredig zijn: hoe rijker je bent, hoe minder ruimte je nodig hebt. Het ultieme bewijs dat lijden karakter opbouwt.
Gelukkig liep het met mijn zoon goed af. De verpleegkundige had al zo’n donkerbruin vermoeden dat hij geen doorgewinterde pillenslikker was. Een Gesprek bleek niet nodig, maar pas nadat we hadden uitgelegd dat zijn drugsgebruik bestond uit medicatie op recept. Nu maar duimen dat hij de rest van de vragenlijsten wél correct heeft ingevuld. Want wiskunde staat voor mijn zoon al snel gelijk aan ‘hoofdpijn bij langdurige inspanning’. Voor je het weet worden we verzocht ons bij de kinderarts te melden voor een MRI-scan.
Dit artikel kun je terugvinden in het VGCt magazine op pagina 35.
