“Meer aandacht voor KOPP/KOV”

Kinderen van ouders met psychische problemen en/of verslavingsproblemen

door VGCt
10 minuten leestijd

Kinderen van ouders met psychische problemen en/of verslavingsproblemen (KOPP/KOV) hebben twee tot dertien keer meer kans om zelf psychische klachten of een verslaving te ontwikkelen. Al dertig jaar zet Karin van Doesum zich bij de Dimence Groep in om dit risico te verkleinen. Zij was onder andere nauw betrokken bij de ontwikkeling van een ouderbabyinterventie.

Al vroeg in haar carrière – bij het schrijven van wat toen nog een afstudeerscriptie heette – kwam Karin in aanraking met KOPP/KOV. Daar was destijds nog minimale aandacht voor, laat staan dat de benaming KOPP/KOV werd gebruikt. “Het was 1989 toen ik afstudeerde bij de Radboud Universiteit Nijmegen en stage liep bij RIAGG Arnhem. Hulpverleners merkten dat er bij ouders met psychische problemen vragen waren over hoe om te gaan met hun kinderen. In Nederland was daar nog geen onderzoek naar gedaan. In Amerika werd wel voor het eerst een programma opgezet dat zich richtte op het hele gezin en in Scandinavië spraken ze van ‘onzichtbare kinderen’. In die landen begon door te dringen hoe groot de impact op een kind is als een ouder met psychische problemen of een verslaving kampt.”

Grote impact

Alle ouders willen het beste voor hun kind, maar door psychische problemen lukt het soms niet om er voor hen te zijn. Dit kan grote impact hebben. Mogelijke gevolgen zijn dat een ouder door hun psychische problemen minder (emotioneel) betrokken is en zich moeilijker kan inleven in het kind. Een gebrek aan vertrouwen in de eigen opvoedkwaliteiten kan bovendien leiden tot schaamte en schuldgevoelens. Ook blijkt het voor deze ouders vaak lastiger om consequent te zijn in de opvoeding en een balans te vinden tussen autoriteit en affectie, waardoor grenzen stellen voor hen lastiger is. Voor kinderen zélf kan het hebben van een ouder met psychische problemen of een verslaving ingrijpende gevolgen hebben. Ze voelen zich vaak schuldig of schamen zich voor de situatie thuis. Ook hebben ze regelmatig moeite met het aangeven van hun grenzen en behoeften. Daarnaast kunnen er fysieke en psychosomatische klachten ontstaan, zoals hoofdpijn, buikpijn, slaapproblemen en eetproblemen. Kinderen lopen bovendien een verhoogd risico op gehechtheidsproblemen.

900.000 kinderen

In Nederland gaat het om ongeveer 900.000 kinderen van ouders met psychische problemen en/of verslavingsproblemen (KOPP/KOV), waarvan 664.000 twaalf jaar of jonger zijn. Zestig procent van hen ondervindt problemen. Bijvoorbeeld op school, met het aangaan van relaties of bij het uit huis gaan. Karin: “We zien vaak dat adolescenten zich verantwoordelijk voelen en het daardoor lastig vinden om zich los te maken van hun ouders. Dertig procent van de KOPP/KOV-doelgroep heeft dusdanig veel last van klachten, dat ze zelf in de hulpverlening terechtkomen.” Het is dus niet zo dat als een kind een ouder heeft met psychische problemen of een verslaving, het ook vaststaat dat zij zelf problemen ontwikkelen. “Het kán de kans op negatieve gevolgen verhogen, maar dit is mede afhankelijk van de aanwezige beschermende factoren en risicofactoren.” Factoren die het risico op problemen vergroten zijn bijvoorbeeld genetische aanleg en onveilige hechting bij het kind, geen of onvoldoende hulp voor de problematiek van de ouder, een onzekere (financiële) gezinssituatie of gebrek aan sociale steun. Beschermende factoren zijn onder andere goede cognitieve, sociale en copingvaardigheden van het kind, een positieve ouder-kindinteractie en de aanwezigheid van een ouder zonder psychische problemen en/of verslavingsproblemen.

Groepsinterventies

Het Landelijk Platform KOPP/KOV ontwikkelde diverse interventies voor deze doelgroep. Dit platform werd opgericht vlak na Karins afstuderen en wordt ondersteund door het Trimbos Instituut. “Preventiewerkers uit verschillende regio’s zijn hierin verenigd”, legt Karin uit. “We maken ons sterk voor betere signalering en ondersteuning van de KOPP/KOV-doelgroep en delen kennis. En we hebben dus ook diverse interventies ontwikkeld.” Zo zijn er de KOPP/KOV-groepen. Dit zijn groepsinterventies voor kinderen, verdeeld over verschillende leeftijdscategorieën. Vaak worden ze gecombineerd met bijeenkomsten voor ouders. “Het Trimbos Instituut heeft hier draaiboeken voor ontwikkeld, zodat initiatiefnemers de KOPP/KOV-groepen kunnen uitrollen in hun eigen regio.” Een andere interventie zijn KOPP-gezinsgesprekken, waarbij Karin en haar collega’s in gesprek gaan met ouders en kinderen. Kinderen krijgen uitleg wat er aan de hand is en ouders worden ondersteund in hun ouderrol. Na de gesprekken wordt gekeken of er nog andere (groeps)interventies nodig zijn. “Alle cliënten en kinderen komen in aanmerking voor deze gezinsgesprekken, maar in de praktijk verwijst maar een deel van de hulpverleners naar ons door. Het zou mooi zijn als in de ggz voor volwassenen standaard aandacht is voor de kinderen van cliënten, met zo’n KOPP-gezinsgesprek. Helaas komt dit in de praktijk vaak niet van de grond, mede doordat het onduidelijk is in hoeverre dergelijke gesprekken vergoed worden en er beperkte tijd is binnen de behandeling.”

Baby’s extra kwetsbaar

Met de landelijke KOPP/KOV-interventies werden vooral schoolgaande kinderen en jongeren bereikt. Karin vertelt dat juist de jongere kinderen extra kwetsbaar zijn. “Hoe eerder in het leven kinderen met psychische problemen of verslaving van hun ouders te maken krijgen, hoe eerder de problemen kunnen beginnen. Baby’s lopen dan ook het grootste risico”, vertelt Karin. Samen met haar collega Carla Brok, een sociaalpsychiatrisch verpleegkundige met veel ervaring in de jeugd-ggz, ontwikkelde ze een ouder-babyinterventie. “Onderdeel van de interventie is het maken van video-opnames van dagelijkse momenten, zoals de ouder die het kind in bad doet of samen met het kind speelt. Op die beelden kunnen we goed zien hoe de interactie verloopt: reageert de ouder op de signalen van het kind, is er oogcontact, hoe beschikbaar is de ouder? Bij die eerste video’s zag mijn collega direct dat ouder en kind elkaar misten in het contact, bijvoorbeeld bij moeders met een postpartumdepressie. Van deze mensen weten we dat het lastig is om echt in contact te zijn met de baby, terwijl een baby dat contact juist hard nodig heeft om de wereld te leren kennen en te begrijpen. Dit ontbreken van een positief contact zien we terug in de video’s. We zien soms dat er nauwelijks oogcontact is, dat kinderen passief kunnen worden, niet reageren op de stem van hun moeder of zelfs helemaal stil blijven.” Karin benadrukt dat dit niet betekent dat deze ouders geen goede ouder zijn, maar dat hun psychische problemen in de weg zitten. “Het geldt ook niet voor alle ouders met psychische klachten of een verslaving. Sommigen van hen zijn wél in staat om contact te maken met hun kind. Daarom is het idee achter de ouder-babyinterventie die wij ontwikkelden dat we eerst observeren hoe de relatie verloopt, en dat we met de ouder in gesprek gaan waar zijn of haar behoeftes liggen op het gebied van de opvoeding. Daarna gaan we samen kijken hoe wij kunnen ondersteunen bij het herstel van het contact, als dat nodig is.”

Leren communiceren

De ouder-babyinterventie wordt ingezet bij gezinnen waar in ieder geval een van de ouders een psychisch probleem of verslaving heeft. “Vaak is er nog niets met de baby aan de hand, maar merkt de ouder wel dat het contact niet soepel verloopt. Het kind huilt bijvoorbeeld veel, of de ouder weet niet goed hoe te reageren op de baby. In de interventie kijken we mee en stellen we vooral veel vragen. Hoe is het om ouder te zijn? Waar loopt iemand tegenaan? Waar is behoefte aan ondersteuning? Van depressieve ouders horen we bijvoorbeeld dat zij het gevoel hebben dat hun kind niet op hen reageert. Tijdens dagelijkse momenten, zoals badderen of spelen, maken we videobeelden van de interactie tussen ouder en kind. Die beelden gebruiken we om samen te kijken wat er gebeurt: hoe reageert de ouder op signalen van het kind? Is er oogcontact? Hoe beschikbaar is de ouder? Ook meten we de sensitiviteit van de ouder en de responsiviteit en betrokkenheid van de baby middels de Ainsworth-schalen (de observatieschalen die ontwikkeld zijn door Mary Ainsworth om de kwaliteit van gehechtheid en ouderlijk sensitief gedrag te meten, red.). Aan het eind van de interventie meten we dit nog een keer. Mentaliseren speelt een belangrijke rol: eerst vragen we de ouders aan de hand van een videofragment wat er hun hoofd omgaat. Daarna vragen we hoe het voor hun zoon of dochter is, wat gaat er in dat hoofdje om? We gebruiken vaak een moment dat de baby probeert contact te maken en dat de ouder er niet op reageert en weinig zegt. Dan bedenken we samen dat het kan helpen om tegen de baby te praten of geluidjes te maken. We laten de ouders zelf ontdekken hoe zij hun kind kunnen lezen en met hun kind kunnen communiceren. Het is voor een deel ook gewoon het kind leren kennen, daar hebben deze ouders wat extra hulp bij nodig.”

Meer veerkracht

Zowel in de ouder-babyinterventie als in de groepsinterventies voor jongeren wordt er gebruik gemaakt van technieken uit de cognitieve gedragstherapie (CGT), mindfulness en ACT. In de interventies voor KOPP/KOV zijn diverse CGT-technieken te herkennen. “Vaak hebben ouders veel disfunctionele cognities, bijvoorbeeld dat ze geen goede ouder zijn. Deze proberen we in de ouder-babyinterventie te herformuleren naar nieuwe, helpende gedachten. En ook in de KOPP/KOV-groepen kom je veel CGT-technieken tegen, met name bij de groepen van 12 tot 16 jaar en van 16 tot 23 jaar. Hun schuldgevoel of cognities over wat zij hebben meegemaakt kunnen we herformuleren. Tegenwoordig werken we ook met mindfulness en met ACT, waarbij de focus ligt op acceptatie (kinderen kunnen nu eenmaal niets veranderen aan de problemen van hun ouder) en commitment (leren ontdekken wat voor hen écht belangrijk is en daar stap voor stap naar handelen). Zo krijgen jongeren meer regie over hun eigen leven, ondanks de moeilijke omstandigheden waarin ze opgroeien. We zien dat dit de veerkracht van kinderen versterkt.”

Veiligere hechting

Ook de ouder-babyinterventie laat mooie resultaten zien. Uit de RCT die Karin uitvoerde blijkt dat de interventie op korte termijn een positief effect heeft op de ouder-kindinteractie. Kinderen zijn veiliger gehecht en hebben betere sociaal-emotionele competenties. “Dat zie je ook terug in de interactie”, zegt Karin. “Ouders hebben weer plezier met hun kind. Ze lachen meer en je ziet dat het kind daarop reageert. Helaas hebben we niet goed kunnen meten wat de effecten zijn op de lange termijn”, vertelt Karin. “Na vijf jaar ondervroegen we de deelnemers opnieuw, maar veel van hen wilden niet meer meedoen. Ze wilden niet geconfronteerd worden met die donkere periode uit hun leven. Het laat zien hoe ingrijpend deze ervaringen zijn.” Tegelijk onderstreept het hoe belangrijk het is om in een vroeg stadium passende steun te bieden. Dat blijft een aandachtspunt, want het blijkt nog steeds lastig om de KOPP/KOV te signaleren. “Sinds 2013 hebben we de Kindcheck, een verplichte stap voor hulpverleners in de volwassenen-ggz als zij werken met cliënten die minderjarige kinderen hebben. Maar in de praktijk merken we dat er maar weinig gevraagd wordt naar zorg over eventuele betrokken minderjarige kinderen. De meldplicht, en het idee dat het kind misschien wel uit huis wordt geplaatst, remt hulpverleners om de Kindcheck in te zetten. Daar moeten we iets mee. Dat geldt ook voor de financiering, die nu nog versnipperd is. We hebben een integrale samenwerking nodig tussen preventie, welzijn, volwassenen- en jeugdzorg. Daar is bundeling van financiering voor nodig, daar zetten wij ons als Landelijk Platform KOPP/KOV hard voor in.”

Karin van Doesum

Karin is klinisch psycholoog, preventiewerker groep en senior onderzoeker aan de Radboud Universiteit Nijmegen, werkzaam bij UiT – The Arctic University of Norway, en gespecialiseerd in kinderen van ouders met psychische problemen of verslaving (KOPP/KOV). Ze werkt bij preventieteam Impluz (Dimence Groep) en ontwikkelde verschillende interventies, waaronder een ouder-babyinterventie die bewezen effect heeft op de ouder-kindinteractie en de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen.

Dit artikel kun je terugvinden in het VGCt magazine op pagina 36.

Misschien ook interessant voor jou

Focus Mode