Metacognitieve therapie

Geen zware kost in de behandelkamer, maar wél effectief

door Maria Bekendam
6 minuten leestijd

Na een proefschrift over metacognitieve therapie (MCT) is de Deense Pia Callesen nu ook bestsellerauteur op hetzelfde onderwerp. Met haar boek Leef meer, denk minder zette ze MCT in één klap voor een breed publiek in de schijnwerpers. Ook in het klinische werk is MCT haar modus operandi. Wat is de aantrekkingskracht van deze therapievorm?

Pia begon haar klinische werk met een traditionele CGT-focus en wilde praktijk met onderzoek combineren. Ze wist van het bestaan van MCT en ze had gehoord dat het effect sorteerde bij uiteenlopende problematiek, maar ze wist ook dat dit onderzoek gebaseerd was op een aantal single caseonderzoeken. Dat kon beter. Ze trok de stoute schoenen aan en contacteerde de man achter de metacognities: Adrian Wells. Na een MCT-training, gegeven door Wells zelf, includeerde Pia de eerste patiënten in ófwel een traditionele CGT-, ófwel een MCT-behandeling. De fundering voor haar proefschrift1 was gelegd.  

Verwachtingsmanagement

In het kader van ‘alle begin is moeilijk’ was de drop-out in eerste instantie hoog in de MCT-groep. Pia had snel door waar dat mee te maken had: “De therapie was anders dan wat mensen verwachtten. Ze waren in de war. We praatten namelijk niet in detail over hun jeugd, scheidingen of andere zaken waarmee ze zich bezighielden. Ik moest een manier vinden om hen in therapie te houden, want degenen die in therapie bléven, waren na drie tot vijf sessies genezen.” Pia vond een middenweg met de patiënten: als ze deze nieuwe therapievorm een kans wilden geven, zouden ze tijdens de zesde sessie alsnog persoonlijke ervaringen uitgebreid bespreken. Die behoefte was echter voor velen bij de zesde sessie weggeëbd.

Patiënten die niet meer over hun problemen hoeven uit te wijden? Het behoeft wat meer context om te begrijpen waar patiënten dan wél mee aan de slag gaan. We doen een stapje terug. In de theorie is het zogenaamde cognitive attentional syndrome (CAS) een centrale speler. Dit houdt in dat iemand vast kan komen te zitten in een negatief denkpatroon. Dat wordt gekenmerkt door piekeren, rumineren en disfunctioneel copinggedrag. Dit alles wordt in stand gehouden door disfunctionele metacognities zoals: ‘door te piekeren kan ik antwoorden vinden op problemen’. Metacognities zijn op te delen in positieve varianten, die gaan over het nut van piekeren en rumineren (‘als ik me zorgen maak over slaapgebrek, dan kan ik strategieën bedenken om ervan af te komen’), en negatieve varianten, die veelal gaan over de oncontroleerbaarheid van cognities (‘als ik hierover blijf piekeren, raak ik helemaal de controle kwijt’). Het doel van MCT is het vergroten van cognitieve flexibiliteit, het aanpassen van metacognities en het verminderen van de CAS.  

De tijger in de kamer

Dat klinkt goed doordacht, maar hoe werkt dat in de behandelkamer? Vanaf de eerste sessie wordt de CAS uitgeplozen. Met andere woorden, wat doen patiënten met hun symptomen en gedachten? Welke strategieën passen ze toe? Vervolgens komt de therapeut met een alternatief voor de CAS. Pia illustreert met een voorbeeld: “Bij slaapproblemen zie je verschillende strategieën terugkomen: denk aan mediteren, positief denken, cafeïne minderen of vermijden, enzovoort. Dan kom je er vervolgens samen in de behandelkamer achter dat die strategieën geen effect hebben gehad op de slaapproblemen. Dan introduceer ik het tegenovergestelde van CAS, namelijk detached mindfulness. Simpel gezegd komt het erop neer dat je niks doet met je gedachten en ze met rust laat. Je gaat er niet op in en bedenkt geen bijbehorende strategieën.”

 Dat is natuurlijk makkelijker gezegd dan gedaan. In MCT zijn er verschillende oefeningen om het loslaten van gedachten, en daarmee ook het veranderen van metacognities, te oefenen. Een klassieker is de ‘tijgeroefening’. De patiënt denkt aan een tijger en het idee is slechts dat hij/zij de tijger observeert. Je zorgt dat de patiënt niet actief bezig gaat met de tijger, maar het dier gewoon laat doen wat het ook doet. Achteraf bespreek je dit samen. Pia: “Vaak merken patiënten op dat de gedachte over de tijger als het ware een eigen leven leidde. Dan bespreek je samen of dit fenomeen alleen mogelijk is met de tijgergedachte of ook met andere (pieker)gedachten. De volgende stap is herstructureren. Met andere woorden: werken aan het idee dat het mogelijk is om alle gedachten, net als de gedachte over de tijger, los te laten.”  

Onverwachte bevindingen  

Terug naar Pia’s proefschrift. Uit de literatuurstudie die ze deed als onderdeel van haar dissertatie was er géén behandelvorm te vinden met een herstelpercentage van meer dan 50 procent voor depressie. Uit de RCT die ze deed met 153 deelnemers die ófwel CGT ófwel MCT ontvingen bleken beide vormen effectief voor depressie. Voor MCT lag het percentage deelnemers dat na behandeling herstelde echter op 74 procent, en voor CGT op 56 procent.

Een onverwachte bevinding was er één over schema’s. Deelnemers vulden onder andere de Young’s schema questionnaire in waarmee, zoals de naam al doet vermoeden, schema’s en de mate van overtuiging werden uitgevraagd. Opvallend was dat de deelnemers in de MCT-groep grotere veranderingen lieten zien op schema’s als ‘ik ben een mislukkeling’, dan in de CGT-groep, terwijl er in de MCT-groep niet actief aan schema’s werd gewerkt. Pia: “Misschien zijn schema’s wel een symptoom of consequentie van de CAS, maar dat is natuurlijk food for thought.”  

Lighten up

Pia wijst graag op de effectiviteit van MCT. Voor depressie liggen herstelpercentages rond de 70 procent4 en voor gegeneraliseerde angststoornissen ligt het herstelpercentage zelfs rond de 90 procent5. Toch merkt Pia op dat psychologen in Denemarken niet staan te springen om op basis van deze cijfers hun blik te verruimen voor wat betreft andere behandelingen.
Sterker nog, ze vindt haar vakgenoten behoorlijk conservatief. “Als je iets een lange tijd hebt gedaan en er allerlei trainingen voor hebt gevolgd, dan ben je eraan toegewijd, is de tendens in Denemarken – ongeacht wat de wetenschap uitwijst. Het is hier heel moeilijk voor psychologen om hun werkwijze te veranderen.” Dat terwijl MCT, ook voor de behandelaar zelf, zoveel voordelen heeft. Een van de belangrijkste is volgens Pia dat het zoveel ‘lichter’ wordt in de behandelkamer. Je loopt niet het risico om je samen met de patiënt te verliezen in zware inhoud, simpelweg omdat je niet of nauwelijks bij de inhoud
stilstaat. Dát in combinatie met hoge effectiviteit zijn, in ieder geval voor Pia, ingrediënten voor een typische win-winsituatie. 

Bronnen

1. Callesen, P. (2016). Efficacy of Metacognitive therapy (Doctoral dissetation, University of Manchester).  

2. Callesen, P. (2021). Leef meer, denk minder: grip op je gedachten voor een zorgelozer leven. Kosmos Uitgevers.  

3. Callesen, P. (2023). Leef zonder angst. Kosmos Uitgevers.  

4. Callesen, P., Reeves, D., Heal, C. et al. Metacognitive Therapy versus Cognitive Behaviour Therapy in Adults with Major Depression: A Parallel Single-Blind Randomised Trial. Sci Rep 10, 7878 (2020).

5. van der Heiden, C., Muris, P., & van der Molen, H. T. (2012). Randomized controlled trial on the effectiveness of metacognitive therapy and intolerance-of-uncertainty therapy for generalized anxiety disorder. Behaviour research and therapy, 50(2), 100-109. 

Dr. Pia Callesen promoveerde aan de Universiteit van Manchester op effectiviteitsonderzoek naar MCT. Ze is werkzaam als therapeut en onderzoeker en is medeoprichter en eigenaar van Cektos, een kliniek in Kopenhagen gespecialiseerd in behandeling met en onderzoek naar MCT. Ze is auteur van verschillende boeken (onder andere Leef meer, denk minder2 en Leef zonder angst3) die op toegankelijke wijze het gedachtegoed van MCT uitleggen. Eerder verscheen op het VGCt Kennisnet een interview over MCT met een Nederlandse expert op het gebied, Colin van der Heiden. Zijn gedachten over MCT lees je hier

Dit artikel kun je terugvinden in het VGCt magazine op pagina 40.

Misschien ook interessant voor jou

Focus Mode