Gewetenloze daden ≠ gewetenloze dader

Marion Verkade over denkfouten rond het geweten

door VGCt
8 minuten leestijd

Zijn daders van zeer ernstige delicten gewetenloos? Volgens Marion Verkade niet, maar kan het wel zo zijn dat één of meer van de facetten die samen het geweten vormen minder goed functioneren. Daardoor kan het gewetensfunctioneren haperen. Marion pleit voor nuance, omdat het label ‘gewetenloosheid’ kan stigmatiseren en voorbijgaat aan mogelijkheden van verandering of therapie.

Tijdens haar werk in de forensische psychiatrie werd Marion dikwijls gevraagd Pro Justitia-rapportages te schrijven, waar ‘gewetensfunctioneren’ een onderdeel van was. “Net als collega’s schreef ik er wat over op, maar het ontbrak daarbij aan een eenduidige definitie. Het voelde ongemakkelijk, want de uitspraken die je daarover doet hebben bovendien invloed op de strafmaat en eventuele maatregelen die opgelegd worden.” In haar zoektocht naar meer eenduidigheid begon Marion met het definiëren van ‘geweten’. Ze concludeerde in navolging van Frans Schalkwijk dat het geweten een psychologische functie is die richting geeft aan iemands gedrag en identiteit. Volgens die definitie werkt het door middel van zelfreflectie en evaluatie, in een wisselwerking van cognitieve en affectieve empathie, zelfbewuste emoties (zoals schuld, schaamte en trots) en moreel redeneren. Met cognitieve empathie wordt bedoeld: het verstandelijke vermogen om te begrijpen wat een ander denkt of voelt. Het meevoelen met de emoties van een ander wordt affectieve empathie genoemd.

De dynamiek van geweten

Marion vertelt dat de manier waarop die verschillende facetten – empathisch vermogen en vermogen tot zelfbewuste emoties en moreel redeneren – met elkaar samenwerken, bij delinquenten en niet-delinquenten gelijk is. “In die zin bestaat het dus niet dat iemand ‘gewetenloos’ is. Wel kan het geweten tijdelijk en/of op bepaalde onderdelen minder goed functioneren. Dat zie ik ook in de praktijk: delinquenten kunnen vreselijke dingen doen die gewetenloos lijken, maar wel heel gewetensvol met hun afspraken omgaan, of verontwaardigd zijn over een groepsgenoot die iets doet wat in hun ogen echt niet kan.” Het haperen van een of meer van de facetten die samen het geweten beïnvloeden, vergelijkt zij ter verduidelijking met de motoren van twee auto’s. “Bij beide auto’s werkt de motor volgens hetzelfde principe, maar een defect onderdeel zorgt voor heel verschillende problemen. Zo zal een kapotte bougie de motor onregelmatig laten lopen, terwijl een kapotte distributieriem de motor volledig tot stilstand kan brengen.” Het geweten is bovendien dynamisch: het is onder andere afhankelijk van de omgeving, de omstandigheden en het welzijn. “Als ik moe ben, ben ik minder empathisch waardoor mijn gedrag – de uiting van mijn geweten – verandert.”

Delinquenten versus niet-delinquenten

Om het verschil in geweten te onderzoeken, vergeleek Marion delinquenten met niet-delinquenten. Ze zag dat delinquenten minder blijk gaven van affectieve empathie, identificatie met de ander en empathische arousal, schaamtegeneigdheid en een lager niveau van moreel redeneren en minder adaptieve en internaliserende copingstrategieën lieten zien. ‘Empathische arousal’ is het automatisch meevoelen met de pijn of emoties van een ander, zoals een kind dat terugdeinst wanneer het ziet dat iemand zich brandt. Met ‘internaliserende copingstrategieën’ wordt bedoeld dat delinquenten moeite hebben om zich terug te trekken en de verantwoordelijkheid bij zichzelf te zoeken. Delinquenten vertonen daarentegen méér zelfcentrering en cognitieve vertekeningen dan niet-delinquenten. Daarmee wordt bedoeld dat zij vaker de neiging hebben om anderen de schuld te geven of gedrag goed te praten. Marion: “De vrouwelijke gedetineerden vertoonden vergelijkbare tekorten in het moreel redeneren als de mannelijke delinquenten. Ook hun niveaus van cognitieve empathie en bezorgdheid waren vergelijkbaar. Er was ook een verschil. Dat zat vooral in de ontwikkeling van de affectieve empathie. Bij vrouwen leek deze ontwikkeling vaker op een onrijpe vorm te zijn blijven steken, namelijk de empathische arousal: het automatische meevoelen met de emoties van een ander, ook wel gevoelsbesmetting genoemd. Empathische arousal vormt normaal gesproken het voorstadium van affectieve empathie: het vermogen om met de gevoelens van een ander mee te leven, terwijl je onderscheid blijft maken tussen jezelf en de ander. Bij vrouwelijke delinquenten lijkt dat onderscheid niet altijd goed tot stand te komen, waardoor ze gemakkelijker overspoeld raken door de emoties van anderen. Ook raken zij gemakkelijk overspoeld door de hogere niveaus van schaamte- en schuldgevoelens, in combinatie met veel sterker internaliserende coping. Hoewel dit in feite een ontwikkelingstekort laat zien, leidt het er wel toe dat vrouwen die terecht staan soms empathischer en berouwvoller lijken dan mannen. Dit kan er mede toe leiden dat vrouwen bij vergelijkbare delicten soms lagere straffen opgelegd krijgen, al spelen vermoedelijk ook maatschappelijke opvattingen over vrouwen daarin een rol.”

Sleutelen aan het geweten

We kunnen natuurlijk niet alle delinquenten over één kam scheren. Het helpt wél om kennis te hebben van hoe iemands geweten functioneert. “Dan weet je waarop je je behandeling moet richten”, zegt Marion. In haar proefschrift ‘Conscience, an Integrative Theory’ laat Marion dat zien aan de hand van een casus. Adam (25) verblijft in een forensische kliniek na een gewapende overval. Daar blijkt dat hij zich wel kan voorstellen wat anderen voelen, maar dit nauwelijks meebeleeft en voor slachtoffers geen inleving toont. Schaamte en schuld ervaart hij alleen in relatie tot zijn moeder, en die gevoelens ontwijkt hij door afleiding, middelengebruik of zelfkritiek. Zijn moreel redeneren blijft steken op het niveau van winst of verlies. De behandeling van Adam kan zich volgens Marion richten op het versterken van zijn affectieve empathie, bijvoorbeeld door in therapie te oefenen met het herkennen van en zich afstemmen op emoties van anderen. Ook moet hij leren schaamte niet te vermijden, maar te reguleren, zodat het niet omslaat in niet-adaptief zelfverwijt of agressie. Daarnaast kan zijn moreel redeneren worden verdiept door hem binnen de therapeutische relaties te stimuleren na te denken over eerlijkheid en rechtvaardigheid, los van eigenbelang. Tot slot is het volgens Marion cruciaal om zijn sterke zelfgerichtheid te doorbreken via perspectiefname, door telkens het effect van zijn keuzes en gedrag zichtbaar te maken. “Zo leert hij inzien wat dit betekent voor de mensen om hem heen en daar verantwoordelijkheid voor te nemen.”

Alwetende houding loslaten

Volgens Marion is de basishouding van de therapeut hierbij de sleutel tot succes. “Behandelaren hebben soms de neiging om delinquenten als een andere groep te zien. Alsof we boven hen staan. Een goede behandeling begint bij een andere basishouding, waarbij we een intersubjectieve relatie aangaan met de cliënt – een wederkerige behandelrelatie waarin therapeut en cliënt samen betekenis geven aan wat er gebeurt in de therapie – en onze alwetende houding loslaten. Hiermee dagen we cliënten uit om te mentaliseren, door samen stil te staan bij wat zij denken en voelen in contact met anderen, datgene waarvan we in mijn onderzoek zagen dat delinquenten er moeite mee hebben. Het internaliseren van een veilige hechtingsfiguur – de therapeut – en van de relatie kan ertoe leiden dat ze (andere) normen, waarden en verantwoordelijkheden van binnenuit gaan voelen en zich eigen maken. Dat is geen garantie op succes, maar je bereikt er meer mee dan hen op te leggen wat ze wel en niet moeten voelen, denken of doen. Dat leidt namelijk tot ogenschijnlijke aanpassing, die wegvalt wanneer het toezicht van de relatie er niet meer is. We doen er goed aan hen ruimte te geven om te voelen en zelf na te denken over wat zij en anderen voelen. Betrek diegene bijvoorbeeld bij het maken van de delictanalyse of holistische theorie. Zo leert iemand zelf verbanden te leggen tussen zijn gedrag en de gevolgen voor anderen. Dat vergroot de kans dat inzichten écht beklijven, omdat ze niet opgelegd zijn maar zelf ontdekt. Op die manier wordt reflectie gestimuleerd en kan het geweten zich verder ontwikkelen.” Dat betekent overigens niet dat er geen grenzen worden gesteld. “Integendeel, maar probeer te begrenzen vanuit de relatie. Een cliënt die bijna op je tenen gaat staan zeg je niet: ‘ga eens achteruit’, maar bijvoorbeeld: ‘ik merk dat je dicht bij mij komt staan en dat ik dat niet prettig vind, is dat jouw bedoeling?’ Soms is het antwoord ‘ja’. Dan kan het gesprek daarover gaan. Meestal is dat niet zo en dan kan de volgende vraag zijn of hij een stap naar achter wil zetten.”

Generaliseren naar dagelijks leven

Deze aanpak – het stimuleren van mentaliseren en internalisering in plaats van regels extern op te leggen – vergroot de waarschijnlijkheid dat de effecten van behandeling worden gegeneraliseerd naar het dagelijks leven. Om dit generaliseren te stimuleren benadrukt Marion het belang van de behandelrelatie als oefenrelatie. “Van daaruit zetten we de stap naar andere relaties en het dagelijks leven, zodat veranderingen niet beperkt blijven tot de behandelkamer of forensische instelling. Zo leert de cliënt zijn geweten daadwerkelijk te activeren in alledaagse situaties en is de kans op terugval kleiner.”

Dit artikel kun je terugvinden in het VGCt magazine op pagina 28.

Misschien ook interessant voor jou

Focus Mode