Werken in de praktijk sluit wetenschappelijk onderzoek niet uit. Dat bewijzen scientist-practitioners in ‘Bruggenbouwers’. Hoe combineren ze de wetenschap met de praktijk en wat levert die combinatie op?
Neomi van Duijvenbode werkt als klinisch psycholoog/psychotherapeut en senior onderzoeker bij het Centrum Verstandelijke Beperking en Psychiatrie van GGZ Drenthe. Al haar patiënten hebben een verstandelijke beperking en psychische klachten en een aantal daarvan hebben daarnaast een verslaving.
Hoe ben je bij deze doelgroep terecht gekomen?
“Toen ik psychologie studeerde, wilde ik in de forensische psychologie werken. Daarom ging ik stagelopen bij Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) Oldenkotte, een kliniek voor mensen die veroordeeld waren tot tbs met dwangverpleging. Wat ik daar heel interessant vond, was dat er standaard een uitgebreide intelligentietest werd afgenomen, zonder dat er vervolgens veel met de resultaten werd gedaan. Ik ben me toen meer in intelligentie en verstandelijke beperkingen gaan verdiepen.”
Waarom vond je dat interessant?
“Tijdens mijn studie had ik niet geleerd wat de invloed van intelligentie of een verstandelijke beperking is op de klinische praktijk. Die vraag heeft me vervolgens niet meer losgelaten. Als psycholoog heb ik daarna in verschillende settings gewerkt, maar altijd met mensen met een verstandelijke beperking. In dit werk vind ik het mooi dat ik eigenlijk niks uit mijn opleiding een-op-een kan toepassen. Ik moet altijd zelf denken: hoe kan ik dit uitleggen, bijvoorbeeld aan de hand van een oefening of een metafoor? Of hoe kan ik deze interventie laten aansluiten bij wat iemand weet, kan en aankan? Bij iedereen past weer een andere oplossing.”
Waarom kies je voor de combinatie onderzoek en praktijk?
“Omdat ik er altijd van overtuigd ben geweest dat die twee elkaar versterken. Ik denk dat ik een minder goede onderzoeker zou zijn zonder mijn praktijkervaring, en een minder goede behandelaar zonder mijn wetenschappelijke kennis. Je hebt natuurlijk hardcore onderzoekers die je echt niet blij maakt met werken in de behandelkamer, of andersom. Maar het is mooi als er genoeg mensen zijn die wetenschap en praktijk kunnen combineren, voor een optimale kennisoverdracht.”
Kun je een voorbeeld hiervan noemen?
“De therapeutische relatie is heel belangrijk voor het effect van een therapie, maar veel behandelaren vinden het moeilijk om aan te sluiten bij de belevingswereld van mensen met een verstandelijke beperking. Onlangs hebben we een kleine subsidie gekregen om te onderzoeken welke factoren specifiek bij deze doelgroep van belang zijn. Met dit onderzoek willen we praktische tips formuleren die nuttig zijn bij het opbouwen van een goede therapeutische relatie. Zo combineren we wetenschappelijke kennis over de therapeutische relatie met de dagelijkse praktijk in de behandelkamer.”
Wat voor ondersteuning krijg je bij dit soort onderzoeksprojecten?
“Het Centrum Verstandelijke Beperking en Psychiatrie heeft een researchafdeling, die ook verbonden is aan een academische werkplaats. Daarmee kunnen we behandeling en onderzoek gemakkelijker koppelen, bijvoorbeeld door praktijkvragen om te zetten in onderzoeksvragen, door wetenschappelijke inzichten te vertalen naar de praktijk of door te verbreden naar andere organisaties, afdelingen of VGCt-secties. Een voorbeeld: veel van onze patiënten hebben psychotische klachten. We hebben gemerkt dat een veelgebruikt instrument om deze in kaart te brengen, de positive and negative syndrome scale (PANSS), niet goed aansluit bij mensen met een verstandelijke beperking. Samen met de researchafdeling hebben we onderzocht welke mogelijke alternatieven er zijn en houden we in de gaten welke andere wetenschappelijke ontwikkelingen er zijn op dit gebied. We onderzoeken nu met de sectie SAABB (Stemmen, achterdocht en andere bijzondere belevenissen) of we onze inspanningen kunnen combineren om tot een PANSS in gemakkelijke taal te komen.”
Ook heb je met collega’s een leidraad LVB en middelengebruik ontwikkeld. Waarom was dit nodig?
“Omdat de doelgroep versnipperd is over verschillende sectoren, is het zorgaanbod ook versnipperd. Hierdoor bestaat het risico dat organisaties vanuit de eigen klinische praktijk methodieken ontwikkelen, zonder dat deze goed met elkaar verbonden zijn. Juist bij deze doelgroep is het belangrijk om de expertise aan elkaar te verbinden voor een goed behandelaanbod.”
Je maakt ook deel uit van het bestuur van de VGCt-sectie LVB en aan de net opgerichte special interest group ZB/LVB bij de vst. Wat is jouw persoonlijke drijfveer om dit te doen?
“Mij krijg je op de barricades voor het verbeteren van de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking binnen de ggz en de verslavingszorg. Zowel in de VGCt-sectie LVB als in de special interest group vind ik mensen die diezelfde missie hebben, dat geeft mij motivatie. Bovendien kan ik zo een groot aantal collega’s bereiken, bijvoorbeeld via bijeenkomsten of artikelen in magazines. Zo kan ik voor het voetlicht brengen wat ik belangrijk vind. Ik heb bijvoorbeeld ook vanuit de sectie LVB, samen met Arjan Muller, op het najaarscongres van de VGCt een workshop gegeven genaamd ‘CGT bij LBV – dat kan toch helemaal niet?’. Dat is ingegeven door het feit dat veel behandelaren denken dat CGT niet goed toepasbaar is bij deze doelgroep. Hierdoor wordt de groep onderbehandeld, terwijl uit onderzoek blijkt dat het zeker effectief kan zijn. Je moet interventies alleen op de doelgroep aanpassen.”
Hoe ziet de behandeling van mensen met een LVB en een verslaving en/of psychische klachten er in de toekomst idealiter uit?
“Ik hoop dat het Centrum Verstandelijke Beperking en Psychiatrie in de toekomst opgeheven kan worden: dat specialistische centra niet meer nodig zijn omdat richtlijnen voor deze doelgroep geïntegreerd zijn in het reguliere aanbod van de ggz en verslavingszorg. Want dat zou betekenen dat deze subgroep niet meer structureel wordt uitgesloten.”
De onderzoeker
Neomi van Duijvenbode werkt als klinisch psycholoog en psychotherapeut en is daarnaast senior onderzoeker bij het Centrum Verstandelijke Beperking en Psychiatrie van GGZ Drenthe. Ze is gespecialiseerd in psychische klachten en verslavingsproblematiek bij mensen met een verstandelijke beperking. Ook maakt zij deel uit van het bestuur van de VGCt-sectie LVB.
Dit artikel kun je terugvinden in het VGCt magazine op pagina 24.
