De VGCt geeft niet alleen het VGCt magazine uit, maar is ook betrokken bij het Tijdschrift voor gedragstherapie & cognitieve therapie. In dit wetenschappelijke tijdschrift vinden cgt’ers en cgw’ers wetenschappelijk onderzoek, theoretische artikelen, literatuuroverzichten, casestudies en boekbesprekingen op het gebied van cognitieve gedragstherapie. In het VGCt magazine wordt een van de artikelen uit het Tijdschrift voor gedragstherapie toegankelijk samengevat, met aandacht voor de betekenis voor de praktijk.
Volgens Jan De Houwer en Yannick Boddez is het tijd om het gangbare denken over betekenis in CGT – vanuit de klassieke conditionering – kritisch tegen het licht te houden. Jan en Yannick stellen dat deze associatieve manier van denken te beperkt is. Zij pleiten voor betekenisanalyses op basis van overtuigingen (proposities) en relationeel gedrag (RFT).
Bij klassieke conditionering wordt gedrag gezien als een reactie op een prikkel die via associaties is verbonden met een andere. Denk aan: ‘school is gekoppeld aan pesten, dus het kind vermijdt school.’ Jan en Yannick willen deze principes niet overboord gooien. “Wel willen we therapeuten meegeven dat zij zich niet moeten laten beperken door het idee dat associaties de enige of juiste manier zijn om betekenis te analyseren.”
De aanleiding
Jan is hoogleraar aan de Universiteit Gent en doet al meer dan dertig jaar onderzoek naar leerpsychologie en cognitieve processen. Yannick is docent en onderzoeker aan dezelfde universiteit. Ze verdiepen zich al jaren in de relatie tussen fundamentele psychologie en de klinische psychologie. In hun artikel ‘Over de rol van associaties in betekenisanalyses1’ laten ze zien dat associatief denken – het idee dat betekenis ontstaat doordat de ene representatie automatisch een andere activeert, zoals stroom door een draad – zowel theoretisch als praktisch tekortschiet.
Yannick: “Tijdens workshops merk ik dat therapeuten vaak getraind worden in denken in termen van klassieke conditionering. Dan heet het: ‘school is geassocieerd met pesten, dus het kind vermijdt school.’ Maar dat is hooguit een deel van het verhaal. Een kind kan ook school vermijden omdat het denkt dat het er gepest zal worden, zónder dat dat ooit is gebeurd.” Hij illustreert dat met een schrijnend voorbeeld: “Een vrouw verloor haar kindje tijdens de zwangerschap. Ze behandelde de urn met de as alsof het een levend kind was: ze sprak ermee en bracht het naar haar moeder als ze ging werken. Klassieke conditionering schiet hier tekort, de urn en het kind zijn nooit samen voorgekomen. Je hebt een rijkere analyse nodig om dat gedrag te begrijpen.”
Daarbij speelt ook de aard van de relatie tussen prikkels een rol. Yannick: “Een kind kan school zien als oorzaak van pesten, of juist als het tegenovergestelde van een veilige plek. Denk aan: ‘Thuis lachen ze om mijn grappen, op school lachen ze me uit.’ Die betekenisverschillen bepalen het gedrag: thuis vrolijk, op school teruggetrokken.”
Jan: “Men schreef in 2005 al over de beperkingen van associaties en toch zie ik dat ze binnen CGT vaak nog steeds als dé manier worden gezien om te denken over betekenis. Met dit artikel wilden we daar echt verandering in brengen.”
De rol van associaties in betekenisanalyses
In CGT wordt betekenis vaak geanalyseerd met behulp van associaties: de representatie van de ene prikkel (zoals een hond) zou automatisch de representatie van een andere prikkel (zoals gebeten worden) activeren. Maar zijn zulke associaties wel geschikt om betekenis echt te begrijpen? Volgens Jan De Houwer en Yannick Boddez niet. In hun artikel in het Tijdschrift voor Gedragstherapie1 stellen zij twee alternatieven voor: betekenisanalyses op basis van proposities (overtuigingen) en analyses in termen van relational frame theory (RFT). Deze denkkaders sluiten beter aan bij hoe therapeuten in de praktijk vaak al werken. Ze maken CGT rijker, flexibeler en beter toegesneden op de cliënt.
In bochten wringen
De kern van hun kritiek: associaties zeggen niets over de aard van de relatie tussen prikkels. Een hond kan angst oproepen omdat hij groter is dan de eigen hond, lijkt op een bedreigende hond uit het verleden of gewoon anders is dan een vertrouwde hond. “Betekenis gaat niet alleen over waar iets naar verwijst, maar ook over hoe het daaraan gerelateerd is”, zegt Jan. “En een associatie zegt niks over die nuance. Als je dat niet weet, wordt het lastig om gedrag goed te begrijpen of gericht te beïnvloeden.”
Therapeuten werken al met overtuigingen
Betekent dit dat therapeuten verkeerd bezig zijn? Zeker niet, benadrukken Jan en Yannick. “Veel therapeuten werken allang met overtuigingen”, zegt Jan. “Maar ze voelen soms de druk om dat te verantwoorden richting de leerpsychologie, alsof het daar eigenlijk niet mag. Terwijl dat onzin is.”
Yannick herkent dat spanningsveld. “Therapeuten praten vanzelfsprekend over overtuigingen, maar zodra ze die willen analyseren of beïnvloeden, grijpen ze toch terug op klassieke conditionering. Misschien zoeken ze houvast in vertrouwde theorieën, of denken ze dat alleen associaties automatisch en irrationeel gedrag kunnen verklaren. Terwijl dat helemaal niet hoeft.”
Klassieke conditionering als effect
Jan en Yannick stellen twee alternatieve benaderingen voor. De eerste: zie klassieke conditionering niet langer als een mentaal proces, maar als een observeerbaar effect. “Dat betekent dan simpelweg dat gedrag verandert doordat prikkels samen worden aangeboden, zonder te veronderstellen dat dit ook te wijten is aan associatievorming in het geheugen”, legt Jan uit. “Dat laat ruimte voor de gedachte dat zulke ervaringen, net als observaties, instructies en nadenken, tot nieuwe overtuigingen leiden die gedrag beïnvloeden.”
Betekenis als relationeel gedrag
Het tweede alternatief komt uit de RFT2,3, een relatief nieuwe leertheorie. Yannick: “Stel: een cliënt stelt zich op het werk passief op tegenover zijn leidinggevende. Dan ga je na: op basis van welke contextuele hints wordt deze situatie, en op welke manier, aan andere situaties gerelateerd? Het stemgebruik van de leidinggevende kan bijvoorbeeld lijken op dat van een autoritaire vader, waardoor de cliënt hem op een vergelijkbare manier benadert. Dan spreken we van een equivalentiekader. Voor iemand anders klinkt de leidinggevende juist heel anders dan zijn vrienden, en roept dat een oppositiekader op.” “RFT helpt ook om te begrijpen hoe taal ons in staat stelt om relaties te leggen. Zo kunnen mensen een urn behandelen alsof het een kindje is, puur op basis van de boodschap: ‘Dit zijn de assen van je kind.’ In dat geval functioneert taal als contextuele hint. Soms is taal zélf onderdeel van de relatie. Denk aan een kind dat bang wordt van een verhaal over honden en zegt: ‘Ik krijg de kriebels als ik het alleen al hoor of eraan denk.’”
Context bepaalt betekenis
Een van de belangrijkste inzichten uit RFT is dat relateren contextafhankelijk is. Overtuigingen verschuiven mee met de situatie. Yannick: “Iemand kan in therapie zeggen: ‘Ik weet dat alcohol slecht is’, maar in de kroeg denkt hij: ‘Ach, het is gezellig.’ Beide overtuigingen bestaan naast elkaar en worden elk geactiveerd door een andere context.”
Volgens Jan en Yannick wordt in therapie vaak onterecht verondersteld dat overtuigingen stabiel zijn. Als iemand toch iets doet dat botst met wat hij zegt, bijvoorbeeld weglopen van een hond terwijl hij weet dat die niet gevaarlijk is, wordt dat snel gezien als bewijs dat overtuigingen geen rol spelen. Maar in werkelijkheid zijn het verschillende overtuigingen, die in verschillende contexten actief zijn.
Dat vraagt iets anders van therapie dan alleen praten over overtuigingen. “Het is niet genoeg om in de spreekkamer een nieuwe overtuiging te formuleren”, zegt Jan. “Je moet die ook oefenen in de situatie waarin het gedrag zich voordoet, bijvoorbeeld met rollenspellen of op de plek waar iemand normaal zou terugvallen, zoals in de kroeg.”
Nieuwe ruimte voor interventies
Als je betekenis niet langer alleen ziet als een associatie in het hoofd⁴, sluit je beter aan bij hoe therapeuten nu al vaak werken en krijg je nieuwe ingangen voor interventies. “Er is veel wetenschappelijke literatuur over hoe je overtuigingen van cliënten kunt beïnvloeden of hun impact kunt verminderen”, zegt Jan. “Die biedt handvatten voor wat je kunt aanpakken, bijvoorbeeld overtuigingen over wat iemand belangrijk vindt, en hoe je dat doet: door nieuwe overtuigingen aan te reiken die aansluiten bij het zelfbeeld en bestaande overtuigingen van de cliënt.”
Weerstand én enthousiasme
De reacties op hun ideeën zijn gemengd. Sommige therapeuten vinden het lastig om het vertrouwde associatiedenken los te laten. “Zeker bij therapeuten die net hebben geleerd om te analyseren in termen klassieke conditionering en associatievorming”, zegt Yannick.
Toch zien ze minstens zoveel enthousiasme. “Zodra je therapeuten concrete voorbeelden en tools aanreikt, merken ze de meerwaarde en hoe die al aansluiten bij hun praktijk.” vervolgt Yannick. “Daarom werken we nu aan casestudies, oefenmateriaal en videomodellen, zodat deze manier van denken echt landt. We werken ook volop verder aan theoretische modellen die stellen welke overtuigingen nu precies cruciaal zijn bij bepaalde klachten en hoe die te meten en veranderen.”
Kiezen wat werkt
Jan: “We zoeken niet dé juiste theorie, maar bruikbare denkkaders. Klassieke conditionering, proposities, RFT: het zijn verschillende manieren om naar gedrag te kijken. Je hoeft niet te kiezen, zie het als een gereedschapskist. Belangrijk is dat je weet welk gereedschap past bij welke situatie.”
Yannick: “Therapeuten doen dit vaak intuïtief al. Wat wij willen aanreiken is een taal en structuur, zodat ze daar bewuste keuzes in kunnen maken en desgewenst een draaiboek met behandelopties kunnen volgen.”
Één tip voor therapeuten
Wat willen Jan en Yannick cgt’ers vooral meegeven? “Besef dat overtuigingen niet op één plek bestaan”, zegt Yannick. “Ze verschuiven mee met de situatie. Dus werk ook daar waar de overtuigingen en het gedrag ontstaan en actief zijn.”
Jan: “Laat je niet beperken. Gebruik de modellen die werken voor jouw cliënt. En wees niet bang om buiten het associatiedenken te stappen. Dat sluit prima aan bij hedendaagse ontwikkelingen in de leerpsychologie.”
Bronnen
1. De Houwer, J., & Boddez, Y. (2025). Over de rol van associaties in betekenisanalyses. Tijdschrift voor Gedragstherapie & Cognitieve Therapie, 58(3), 1–18.
2. De Houwer, J. (2018). Propositional models of evaluative conditioning. Social Psychological Bulletin, 13.
3. Hayes, S. C., Barnes-Holmes, D., & Roche, B. (2001). Relational frame theory: A post-Skinnerian account of human language and cognition. Kluwer.
4. Mertens, G., Boddez, Y., Sevenster, D., Engelhard, I. M., & De Houwer, J. (2018). A review on the effects of verbal instructions in human fear conditioning: Empirical findings, theoretical considerations, and future directions. Biological Psychology, 137, 49-64.
Dit artikel kun je terugvinden in het VGCt magazine op pagina 20.
