Biculturele jongvolwassenen melden zich regelmatig met angst-, stress- of burn-outklachten in de ggz. Vaak worden die behandeld volgens bestaande protocollen, maar daarmee wordt niet altijd de kern geraakt. Volgens universitair docent en psycholoog Haza Rahim speelt bij deze groep regelmatig een minder zichtbare factor: cultureel identiteitsconflict. “Veel patiënten herkennen het pas als je het benoemt. Dan valt alles ineens op z’n plek.”
In haar proefschrift Finding Home: cultural identity conflict and mental health among bicultural young adults onderzoekt Haza hoe het is om op te groeien tussen twee (of meer) culturen. “Cultureel identiteitsconflict is de subjectieve ervaring dat je verschillende culturele normen en waarden niet goed met elkaar kunt verenigen”, legt ze uit. “Je voelt je verbonden met meerdere culturen, maar het lukt niet altijd om die samen te brengen tot één stabiel geheel.” Dat conflict raakt ook aan hoe iemand zichzelf ziet, welke keuzes iemand maakt en hoe iemand omgaat met stress en tegenslag. “Als je niet goed weet wie je bent of waar je bij hoort, heeft dat invloed op hoe je in het leven staat.”
Unieke stressoren die vaak onzichtbaar blijven
Volgens Haza is het belangrijk dat behandelaren zich realiseren dat klachten bij biculturele cliënten niet altijd dezelfde oorsprong hebben als bij anderen. “Biculturele jongeren hebben naast algemene risicofactoren ook unieke stressoren”, vertelt ze. “Denk aan de voortdurende druk om in twee werelden goed te functioneren.” Dat uit zich in het schakelen tussen talen en gedragingen, het aanpassen aan verwachtingen en het wel of niet laten zien van delen van jezelf. ”Iemand die thuis gewend is om zich bescheiden naar ouderen op te stellen, kan op het werk juist verwacht worden om assertief te zijn. Je moet steeds inschatten wat er van je verwacht wordt en je gedrag daarop aanpassen. Dat kost energie.” Voor mensen die zelf gemigreerd zijn, komen daar nog extra factoren bij, zoals verlies van land en cultuur, een nieuwe taal leren en een nieuw leven opbouwen. Opvallend is dat migratiegerelateerde stressoren zich niet beperken tot eerstegeneratiemigranten.
Generatieoverstijgend
Een van de meest verrassende bevindingen uit Haza’s onderzoek is dat cultureel identiteitsconflict aanwezig lijkt te zijn bij zowel mensen die langer in Nederland wonen en zelfs hier geboren zijn, als bij mensen die recent naar Nederland zijn gekomen. “We zien dat eerste-, tweede- en derdegeneratie biculturele jongvolwassenen vergelijkbare scores op identiteitsconflict laten zien als mensen die korter dan vijf jaar in Nederland zijn”, vertelt ze. “Dat betekent dat de moeilijkheden van leven tussen culturen generatieoverstijgend zijn.” Dat doorbreekt een hardnekkige aanname: dat vooral ‘nieuwkomers’ worstelen met hun plek in de samenleving. “Ook mensen die hier zijn geboren en opgegroeid kunnen net zo goed identiteitsconflict ervaren. Dat zien we alleen niet altijd, omdat ze ogenschijnlijk goed functioneren in de maatschappij.”
Een sterke relatie met mentale gezondheid
Haza’s onderzoek laat zien dat cultureel identiteitsconflict samenhangt met mentale klachten. “Het hangt onder meer samen met angst, depressie en traumaklachten.” Daarnaast blijkt identiteitsconflict samen te hangen met een verhoogde kwetsbaarheid voor stressklachten bij latere tegenslag. “Als er tegenslag is in het leven, rapporteren zij meer stressklachten dan mensen met een lagere mate van cultureel identiteitsconflict.”
Zelfbeeld en basisbehoeften onder druk
Volgens Haza ligt een belangrijke verklaring in de impact op het zelfbeeld en het vervullen van psychologische basisbehoeften: competentie, verbondenheid en autonomie. “Bij biculturele cliënten kunnen deze behoeften onder druk komen te staan”, legt ze uit. “Zo wordt assertiviteit in Nederland vaak gezien als iets positiefs, terwijl in andere culturen bescheidenheid juist belangrijk is. Wat in de ene context ‘goed’ gedrag is, kan in een andere context negatief worden beoordeeld.” Ook verbondenheid kan ingewikkeld worden: “Als je je in beide culturen niet volledig thuis voelt, waar hoor je dan wel bij?” En autonomie: “Mag je jezelf zijn of moet je je aanpassen aan de verwachtingen van je omgeving? Dat raakt aan je psychologische vrijheid.”
Signalen die je gemakkelijk mist
In de spreekkamer blijft cultureel identiteitsconflict vaak onder de radar. Volgens Haza zijn er wel signalen waar behandelaren alert op kunnen zijn. Een veelgehoorde uitspraak bij biculturele cliënten is: “Ik moet alle ballen in de lucht houden.” Ook het gevoel er niet bij te horen of het idee dat je het nooit goed doet, kunnen signalen zijn. Op het eerste gezicht lijkt dat een bekende stressreactie, maar er kan meer achter zitten. “In veel niet-westerse culturen is het vanzelfsprekend dat je zorgt voor je familie”, vertelt ze. “Tegelijkertijd verwacht de Nederlandse samenleving dat je ook voor jezelf zorgt en je eigen pad volgt door bijvoorbeeld eigen keuzes te maken.” Dat leidt tot een stapeling van verantwoordelijkheden: zorgen voor familie, jezelf ontwikkelen en voldoen aan verschillende normen. “Als je dat culturele stuk niet meeneemt, mis je mogelijk de kern van het probleem.”
CGT blijft waardevol, mits je het goed toepast
Haza benadrukt dat de (cgt-)behandeling zelf niet fundamenteel anders hoeft te zijn. “Je kunt nog steeds evidence based werken”, zegt ze. “Maar je moet de context meenemen, bijvoorbeeld bij cognitieve herstructurering. Standaard zou je die gedachte kunnen ombuigen naar: ‘Zijn mijn ouders wel mijn verantwoordelijkheid?’ Maar cultuursensitief zou je kunnen zeggen: ‘Ik heb meerdere verantwoordelijkheden. Hoe ga ik daar op een helpende manier mee om?’ Het gaat er niet om dat je culturele waarden wegneemt, maar dat je samen zoekt naar manieren om ermee om te gaan.”
Begin bij nieuwsgierigheid
“Er is steeds meer aandacht voor cultuursensitief werken, dat is mooi.” Veel hulpverleners vinden het wel lastig om cultuur expliciet te bespreken, merkt Haza in haar trainingen. “Er bestaat handelingsverlegenheid en angst om het verkeerd te doen. Maar juist door cultuur niet te bespreken, kan je cruciale informatie missen.” Haar advies is simpel: “Begin met nieuwsgierigheid. Stel vragen. Je hoeft het niet te weten, je kunt het de patiënt zelf laten vertellen.” Bijvoorbeeld: Wat betekent het voor jou om tussen twee culturen te leven? Ervaar je dat als verrijking of als lastig? Waar loop je tegenaan? “Veel mensen benoemen dit niet uit zichzelf. Pas als je ernaar vraagt, komt het naar voren.”
De rol van de omgeving
Tot slot benadrukt Haza dat de verantwoordelijkheid niet alleen bij de patiënt ligt. “Als iemand zich buitengesloten voelt door discriminatie of gebrek aan inclusie, kunnen wij als behandelaar alleen helpen om daarmee om te gaan”, zegt ze. “Maar de omgeving speelt ook een grote rol.” Volgens haar is daarom ook aandacht nodig voor inclusieve werk- en schoolomgevingen, rolmodellen en mentorschap, en maatschappelijke bewustwording. “Je kunt iemand veerkrachtiger maken, maar als de omgeving niet verandert, blijft het een uitdaging.”
“Stel vragen en blijf leren”
Als Haza één boodschap mag meegeven aan zorgverleners, is het deze: “Cultuursensitief werken begint bij openheid en nieuwsgierigheid. Onderzoek je eigen aannames en stel vragen.” Ze benadrukt dat dit een leerproces is: “Je hoeft het niet perfect te doen. Je leert het meest van de patiënt zelf. De ene persoon met een migratieachtergrond is de andere niet.” Haar belangrijkste advies: “Sta stil bij cultuur, ook als iemand ogenschijnlijk goed functioneert. Want juist dan kan er van binnen nog veel spelen.”
Praktische handvatten voor de klinische praktijk
Voor behandelaren die concreet aan de slag willen, geeft Haza een aantal handvatten:
- Vraag expliciet naar culturele context: bijvoorbeeld met het cultural formulation interview (CFI) uit de DSM-5.
- Overweeg narratieve interventies: zoals narratieve exposuretherapie, waarbij het levensverhaal centraal staat.
- Betrek het systeem waar nodig: familie kan een belangrijke rol spelen in verbondenheid en herstel.
- Normaliseer het conflict: help patiënten begrijpen dat hun ervaring niet vreemd is.
Over Haza Rahim
Haza Rahim is universitair docent klinische psychologie aan de Universiteit Utrecht. Ze promoveerde op onderzoek naar de mentale gezondheid van biculturele jongvolwassenen en houdt zich bezig met cultuursensitief werken, onder meer door
onderwijs, onderzoek en trainingen voor professionals. Daarnaast coördineert ze het vak ‘Diversiteit binnen de ggz’. Ook begeleidt ze studenten bij stages en scripties op dit thema. Naast haar werk aan de universiteit is ze één dag per week
werkzaam als psycholoog, waar ze cultuursensitief werkt met cliënten met uiteenlopende achtergronden en klachten.
Dit artikel kun je terugvinden in het VGCt magazine op pagina 30.
