Sinds jaar en dag is Iva Bicanic hét boegbeeld van onderzoek naar (de gevolgen van) seksueel misbruik. Haar werk en inspanningen zijn niet onopgemerkt gebleven, want sinds december vorig jaar mag ze zich hoogleraar noemen van de leerstoel ‘seksueel misbruik bij kinderen: de gevolgen en behandeling’ aan het UMC Utrecht. Haar boodschap: ‘normaliseer het gesprek over seksueel misbruik in de behandelkamer én daarbuiten’.
Wat betekent deze benoeming tot hoogleraar voor jou?
“Ik vind het fantastisch dat ik dit mag doen, over een onderwerp waar ik al ruim dertig jaar mee bezig ben. Deze leerstoel helpt mijn missie verder – het bespreekbaar maken en uit de taboesfeer halen van seksueel misbruik – en opent nog meer deuren. Ik was voorheen al tevreden over mijn bereik en invloed, maar ik merk dat ik nu makkelijker samenwerk met andere hoogleraren, netwerken opbouw en grote onderzoeksaanvragen kan doen. Dat is hard nodig, want we weten eigenlijk nog niet zoveel. Ik vond laatst nog een bron uit de jaren zeventig waarin stond dat één op de miljoen vrouwen incest meemaakt. Dat is natuurlijk hopeloos verouderde informatie, want in werkelijkheid komt het vele malen vaker voor. Maar dat is dus hoe we er vijftig jaar geleden over dachten. Wat ik ook heel mooi vond: mensen die zélf als kind seksueel misbruik hebben meegemaakt stuurden mij berichten toen de benoeming bekend werd: ‘het onderwerp bestaat nu écht, we worden gezien’. Nu er een leerstoel aan seksueel misbruik bij kinderen gewijd is voelen mensen dit als erkenning.”
Wat is de belangrijkste reden dat dit nu een leerstoel is?
“Seksueel misbruik tijdens de jeugd- en kindertijd wordt gezien als een grote risicofactor voor lichamelijke en mentale gezondheid. We moeten alles doen om de cijfers te verminderen. Het helemaal stoppen zal waarschijnlijk niet lukken: het is een wicked problem, een probleem dat zo complex is dat er geen eenvoudige oplossing voor bestaat. Seksueel misbruik staat inmiddels ook hoog op de agenda bij de WHO. Dit betekent dat het wordt erkend als een wereldwijd, ernstig gezondheidsprobleem waarvoor structurele preventie, goede zorg, onderzoek en beleid nodig zijn. Tegenwoordig weten we dat misbruik ook online plaatsvindt. Online misbruik kan dezelfde impact hebben als fysiek misbruik.”
Welk inzicht was voor jou een eyeopener?
“Een belangrijk inzicht komt uit onderzoek naar drie groepen: het slachtoffer, de pleger en de omstander. We hebben die alle drie geïnterviewd en gekeken naar wat er veranderde toen het misbruik uitkwam. Wat bleek: er waren bij alle groepen drie thema’s die steeds terugkwamen: zelfverwijt, eenzaamheid en vervreemding van elkaar. Terwijl ze elkaar meestal goed kennen en elkaar juist nodig hebben. Iedereen wil zijn verhaal vertellen, maar door die verwijdering lukt dat niet meer. Een ander belangrijk inzicht is dat mensen tijdens misbruik een genitale respons (een automatische reactie van de geslachtsorganen, zoals een erectie of vaginale vochtigheid) kunnen ervaren. Dat weten we inmiddels al enige tijd. Een nieuw inzicht is dat die respons geconditioneerd kan blijven, ook ná het misbruik – bijvoorbeeld wanneer iemand terugdenkt aan het misbruik. Ongeveer een derde van de mensen met PTSS als gevolg van seksueel misbruik die daarvoor een intensieve traumabehandeling ondergaan, heeft last van het ervaren van een genitale respons. Als hulpverleners daar niets over weten, brengen cliënten het niet snel ter sprake vanwege schaamte. Door dit te normaliseren kan het opluchting geven voor cliënten: ‘je bent niet raar en je bent niet de enige’.”
Je zegt dat slachtoffer en dader elkaar nodig hebben. Zouden ze in gesprek moeten gaan?
“Een mens leeft niet alleen. Vaak hebben alle partijen iets nodig van elkaar. Dat kan om verschillende behoeften gaan, zoals antwoorden willen krijgen of verschaffen op vragen, excuses willen maken of ontvangen, of een eigen verhaal willen delen. Het slachtoffer heeft erkenning nodig, bij voorkeur van degene die het heeft gedaan.
Maar ook van de omstander, die had het slachtoffer moeten beschermen. De pleger heeft ook iets nodig en wil niet afgewezen worden als persoon. Laat ik wel vooropstellen: het gedrag van de pleger wijzen we honderd procent af. Maar dat gedrag komt ook ergens vandaan. Misschien heeft die persoon zich eenzaam gevoeld en heeft die niet de vaardigheden gehad om daarvoor hulp te vragen. Mogelijk zocht de persoon vervolgens intimiteit bij een kind.”
Welke goedbedoelde aanpak kan juist schadelijk uitpakken?
“Soms gaan behandelaren uit van een eenzijdig negatief beeld, terwijl er vaak veel ambivalente gevoelens kunnen bestaan bij slachtoffers: haat én liefde, angst én verlangen, afkeer én gemis. Als je daar als behandelaar niet naar vraagt, mis je een belangrijk deel van de realiteit. Het helpt om expliciet te vragen naar die dubbelheid. ‘Heb je er naast de negatieve gevoelens ook positieve gevoelens of herinneringen aan? Denk je daar nog weleens aan terug?’ Hulpverleners hebben vaak een bepaald beeld van misbruik, bijvoorbeeld van een angstig kind en een monsterachtige dader. Maar in de helft van de gevallen is de dader iemand die ook aardig doet en het kind positieve gevoelens geeft, zoals affectie, aandacht en speciaal zijn. Als je dat niet meeneemt, sluit je niet goed aan bij de ervaring van cliënten. Daarvoor zijn dus ook andere vragen nodig. Bijvoorbeeld niet alleen: ‘Is er iets tegen je zin gebeurd?’, maar: ‘Is er iets gebeurd wat toen of nu niet oké voelt of wat je in verwarring heeft gebracht?’”
Slachtoffers kunnen dus ook positieve gevoelens ervaren bij hun pleger?
“Ja, dat is de ambivalentie die slachtoffers kunnen ervaren. Iemand kan de dader ook missen of terugverlangen naar de tijd dat je je belangrijk en speciaal voelde. Een mooi voorbeeld waarin dat terugkomt is de podcast ‘De zwembadclub’. Die gaat over de misbruikervaringen van een jongen van destijds twaalf jaar. Ik noem het zelf seksueel misbruik, maar in de podcast hebben ze het over kinderprostitutie uit de jaren vijftig. De interviewer vraagt op een gegeven moment aan de man waarom hij zichzelf als jongen prostitueerde. Als antwoord geeft de man, inmiddels tachtig jaar: ‘De essentie is dat de mensen die met je bezig zijn, je waarderen. Ze vinden je mooi, ze prijzen je om wat je doet. Zodra je dan weer thuiskomt is er niks, leegte. Je zoekt de toestand op waarin je gewaardeerd wordt.’”
Herken je dit ook vanuit je praktijkkennis of onderzoek?
“Zeker. We zien dat seksueel misbruik in de kindertijd vaak samengaat met affectieve verwaarlozing. Als je kinderen niet te eten of drinken geeft, dan gaan ze daar zelf naar op zoek. Dat geldt ook voor affectie en aandacht, dat zijn basale behoeften. Als je dat als kind niet of niet voldoende krijgt, dan ga je emotioneel een beetje dood. Dan ga je dat zoeken of sta je meer open voor iemand die dat wél geeft.”
Gaat de samenleving nu anders om met het onderwerp dan voorheen?
“Verhalen over seksueel misbruik komen steeds vaker in de media. Ik merk inmiddels ook een soort van desensitisatie of onverschilligheid onder mensen. Laatst was er nog een enorme onlinemisbruikzaak met honderden kinderen en daar reageerden mensen dan niet meer op zoals ze dat een paar jaar geleden wel hadden gedaan. Op de NOS-app staat inmiddels gemiddeld ruim één keer per dag een bericht over seksueel misbruik. Dus we weten dat het bestaat. Toch is het moeilijk voor mensen om te aanvaarden of accepteren dat het zoveel gebeurt. Dat komt ook doordat mensen het zo’n ongemakkelijke realiteit vinden, met afweer als gevolg. Wat wij als samenleving beter moeten doen is dit onderwerp tijdig aan de eettafel en in de schoolklas ter sprake brengen. En dan bedoel ik vanaf groep één. Dat begint gewoon heel simpel: hoe noem je alle lichaamsdelen en waar is het allemaal voor? En ook als het gaat om aanraken: wat is oké en wat is niet oké? We weten namelijk uit onderzoek dat misbruikte kinderen hun ervaringen eerder onthullen als er thuis en op school gewoon over gesproken wordt.”
Hoe zorg jij zelf dat het bespreekbaar wordt op scholen?
“Ik werk veel samen met Stichting M. Dat is een stichting met als doel het taboe rond seksueel misbruik te doorbreken. Mandy Sleijpen, de oprichter en directeur van de stichting, geeft les over dit onderwerp aan groepen zeven en acht van het basisonderwijs. Ze is zelf ervaringsdeskundige. Haar lessen gaan onder andere over welk gedrag oké is en wat niet oké is en over grenzen aangeven. Soms vertelt ze over haar eigen ervaringen. Dan zet ze een doos in de klas en dan mogen kinderen daar een briefje instoppen met hun eigen ervaringen. Met regelmaat zitten daar briefjes bij van kinderen waarop staat: ‘Dat heeft mijn opa ook bij mij gedaan.’ Of ‘Dat heeft de broer van mijn vriendinnetje bij mij gedaan.’ Maar ook vragen komen voorbij: ‘Wat als je verliefd bent op degene die dat doet?’ Daarom zeg ik tegen volwassenen: breng het gesprek in de klas, geef het woorden en beeld. Hoe moeten kinderen weten dat een volwassene of ouder kind iets fout doet als niemand het erover heeft?”
Wat heeft jou persoonlijk het meest geraakt in je werk?
“Dat jongens vaak vergeten worden. De prevalentie van seksueel misbruik bij jongens en meisjes verschilt niet zoveel, maar toch blijft het beeld bestaan dat het vooral meisjes treft. Dit is geen pleidooi om aandacht voor meisjes en vrouwen te verminderen. Die aandacht is goed en terecht. Maar als we gaan geloven in een eenzijdig narratief, verliezen we de jongens uit het oog. En wat een samenleving niet ziet, kan die ook niet beschermen.”
Wat hoop je dat deze leerstoel oplevert voor behandelaars?
“Dat we een realistisch beeld en nieuwe taal kunnen ontwikkelen over seksueel misbruik, dat we erkennen hoe complex en gelaagd het is. In de hulpverlening, en in het algemeen, zijn we geneigd om snel te zeggen: ‘het is niet jouw schuld’. Maar dat is te makkelijk. We gaan dan voorbij aan de diepere gevoelens en overtuigingen die er al jaren zijn. Waar voelen mensen die dit hebben meegemaakt zich nou precies schuldig over? Dat kan heel uiteenlopend zijn, van: ‘ik ben zelf naar die persoon toegegaan’ tot: ‘ik heb het verteld en daardoor is mijn familie uit elkaar gevallen’ en ‘mijn man heeft last van mijn seksuele problemen’. Die schuldcognities kunnen zo diepgeworteld zitten dat ze kunnen leiden tot bijvoorbeeld automutilatie of drinken om de spanning die daarmee gepaard gaat te dempen. Door dieper in te gaan op die schuldgevoelens denk ik dat we kunnen werken vanuit een ander narratief. Waar komen die gevoelens vandaan? Iemand vertelde bijvoorbeeld: ‘Ik was acht en elke ochtend trippelde ik naar de zolder naar mijn grote broer en ik kroop bij hem in bed. Dus ik heb dat zelf geïnitieerd.’ Maar waar was het kind écht naar op zoek? Geen enkel kind van acht zoekt seks. Een kind van acht zoekt affectie en geborgenheid vanuit het verlangen naar liefde en veiligheid. Zodat je iemand bent, letterlijk bestaat.”
Iva Bicanic is klinisch psycholoog en expert op het gebied van seksueel geweld en psychotrauma. In december 2025 werd zij benoemd tot hoogleraar ‘Seksueel misbruik van kinderen: gevolgen en behandeling’. Ze is tevens hoofd van het Landelijk Psychotraumacentrum bij het UMC Utrecht en directeur kennisontwikkeling van het Centrum Seksueel Geweld (waarvan ze ook de oprichter is). Bicanic promoveerde op de gevolgen van verkrachting bij jongeren.
Dit artikel kun je terugvinden in het VGCt magazine op pagina 42.
